Resident Evil 5 - Het verhaal vooraf

Artikel | -

Beste lezer,

Wat je hieronder leest is fictie gebasseerd op onze fantasie. Wij vonden het leuk om even weg te dromen bij de gedachte wat er vooraf zou zijn gegaan aan de gebeurtenissen van Resident Evil 5. Wij hopen jullie dan ook vooral met dit verhaal te vermaken en aan het denken te zetten wat er zich vooraf zou kunnen hebben afgespeeld.



Wat een heerlijk gevoel. De warme zonnestralen in mijn gezicht, een armpje uit het raam en de steentjes die onder de banden vandaan springen. Hoefde er maar niet gewerkt worden, dan had ik verdomme heel de dag door de savanne kunnen scheuren, genietend van de prachtige omgevingen en de brandende zon. Het is inmiddels al weer zo’n 24 uur geleden dat ik werd gebeld. Of ik de hoogstnodige bagage kon inpakken en direct naar de militaire luchthaven kon komen. Drie uur later zat ik in het vliegtuig en inmiddels ben ik alweer een uurtje of twee onderweg in de auto naar Kijuju, waar ik mijn partner voor deze missie zou ontmoeten. De BSAA zal toch geen vrouw hebben gestuurd om me te vergezellen? Dat trek ik echt niet. Niet na wat er is gebeurd met mijn vorige vrouwelijke partner… Godverdomme Jill, ik zet het hem betaalt!

De satelliettelefoon rinkelt. Daar mogen ze wel eens een andere beltoon op zetten zeg. Dat hoge gepiep zorgt telkens weer voor een schrikmoment. ‘Redfield hier.’ ‘Aaah Chris, je bent er bijna?’, klinkt de serieuze en norse stem uit de telefoon. ‘Ehhh nou, dat gaat nog wel even duren. Wat probleempjes op de luchthaven. Achterlijke bureaucratie, het duurde zeker een uur voordat ik ze ervan overtuigd had dat ik die wapens bij me droeg op order van de BSAA en alle verklaringen in viervoud had ondertekend.’ ‘Vervelend om te horen, Chris. Geef maar wat extra gas bij. Je partner wacht op je!’ ‘Komt voor de bak… Oooh verdomme…’ ‘Chris, status report… Chris, geef verdomme antwoord! Chris! Chris! REDFIELD!’

Op de achtergrond hoor ik mijn overste roepen. Ikzelf lig inmiddels buiten de auto, verscholen achter een struik. Dat scheelde maar een haartje, als ik de naderende raket iets later had gezien was het over en uit. De Afrikaan met de raketwerper heeft het inmiddels al moeten bekopen met een welgemikt schot tussen zijn ogen. Maar er zijn er nog meer, ik voel het gewoon. Mijn partner moet maar wachten, eerst ga ik dit zaakje tot een goed einde brengen. Aan mijn linkerhand bevindt zich een hobbelige rotspartij waarover ik zojuist een schim zag klimmen. Luttele ogenblikken later was ook ik op pad naar de top. Het bestijgen van de rotsmassa kost behoorlijk wat moeite, ondanks mijn jarenlange training. Zweetdruppels druipen dan ook over mijn gezicht en rug, terwijl mijn eeltige handen zich steeds weer vastklampen aan een gloeiend heet stuk steen dat uit de rotswand steekt.

http://media.insidegamer.nl/screenshots/public/3441/127403.jpg

Verbazing alom toen ik de top bereikt had en uitkeek over een gigantische nederzetting. De poorten, woningen en winkeltjes waren simpelweg met één woord te beschrijven: primitief. Ik had nog nooit gehoord van zo’n grote nederzetting in zulke primitiviteit, en zelfs mijn GPS kon me niet vertellen welke naam deze gemeenschap droeg. Door heel het dorp heen stegen donkergrijze rookpluimen op, als klauwen die zich leken te vergrijpen aan de hemelsblauwe lucht. Wat is dit voor een plek! Wat wonen hier voor mensen! Ik zette mijn schoen op een kleine steen en begon stapje voor stapje aan mijn afdaling richting de nederzetting. De rotsen waren aan deze kant van de rotspartij een stuk minder makkelijk te belopen, wat ongetwijfeld kwam door de scherpe wind die hier naar beneden woei en in de loop der tijd de rotsen vervlakte.

Zo, bijna beneden en inmiddels kletsnat van het kleffe lichaamszweet. Dat was me de afdaling wel, al vermoed ik dat het in het niet valt bij doorzoeken van de nederzetting. Er hangt een bizar en luguber sfeertje, zoals je eigenlijk alleen maar ziet in films. Ik voel een klein tikje tegen mijn voet. Gewoon een steentje dat van de rotswand naar beneden is komen rollen. Eén stap verder voel ik wederom een tikje op mijn lederen schoenwreef. Ik draai me om en op de rotswand zie ik iets dat me totaal niet bevalt. Een gigantische vloed aan steentjes en gruis, vergezeld met een puntig rotsblok, komt naar beneden denderen. Ik besluit te rennen voor mijn leven.. De dikke stam van die boabab moet mij gaan redden. Nog vijf meter… nog drie meter… nog één meter… Net op tijd duik ik achter de dikke boom. Het rotsblok, met daarom heen de dansende steentjes, rolt door en boort zich door de aangevreten houten poort.

http://media.insidegamer.nl/screenshots/public/3441/107640.jpg

De nederzetting is donker en stil. Sinds ik binnen ben heb ik nog niemand gezien. Ze moeten het toch gehoord hebben, van die poort is immers niks meer over. Even stokt mijn ademhaling wanneer ik iets zie bewegen over de vensterbank en de richtlaser van mijn pistool verschuift direct naar het venster. Stapje voor stapje nader ik het rieten raam en gluur ik naar binnen. Niets, behalve een Afrikaans dwergmuisje. Ik zal me wel vergist hebben, dus draai ik me om en loop verder door de hobbelige steegjes van deze primitieve puinhoop. Die rookpluimen, daar moet ik naar toe zien te komen. Waar rook is, is vuur en daarmee waarschijnlijk ook mensen. Omdat ik tot op heden niks verdachts ben tegengekomen besluit ik de pas erin te zetten, terwijl ik de rookpluimen steeds dichterbij zie komen. Dit steegje door, even dwars door dit huis heen en dan het volgende straatje doorrennen…

Gadverdamme, wat is hier aan de hand! Rond een pleintje hangt de behoorlijk penetrante geur van verbrand vlees. Mensenvlees. Een snelle blik naar de bron van de rookpluim maakt me duidelijk hoe dat komt. Wat leven hier voor gekken, denk ik terwijl ik naar een brandende stapel menselijke karkassen kijk. Wie doet zoiets! Veel tijd om erover na te denken heb ik niet, want ik krijg een hard voorwerp tegen mijn hoofd aangegooid. Ik schrik me te pletter wanneer ik me omdraai en opeens oog in oog sta met een gigantische groep Afrikanen die allerminst blij lijken te zijn met mijn komst. Met bloeddoorlopen ogen kijken ze me vlijmscherp aan, hun vuisten ballend of wapen aaiend. Pang, pang, pang… Drie van hen vallen dood op de grond, maar dat schrikt de anderen totaal niet af. Als bezetenen komen ze op mijn af, waardoor er niets anders opzit dan te sprinten door de nauwe steegjes van de nederzetting.

Steeds als ik een hoek om loop draai ik me om en schiet ik mijn magazijn leeg op de naderende horde vijanden. Ik duikel door vensters, ram mezelf door deuren heen en spring van dak naar dak, en dat alles met hun op mijn hielen. Hijgend hol ik het zoveelste steegje in, waar ik wordt geconfronteerd met een hele brede inwoner met een gigantische hakbijl. Die is duidelijk van plan in wat anders te hakken dan een boom. Een welgemikt schot op zijn knieën later zakt hij op de grond en ren ik weg om een voorsprong op te bouwen. De achtervolgende menigte stapelt zich op als ik langs nieuwe brandende mensenhopen sprint. Ik zie dat ze dikke stofwolken veroorzaken en los nog een paar schoten. Ik grijp naar mijn riem en voel tot mijn schrik dat ik tijdens mijn hol- en rolwerk een magazijn ben verloren. Godver, nog maar één kogel over!

http://media.insidegamer.nl/screenshots/public/3441/107645.jpg

Ik ren nog één laatste steeg door totdat ik ben ingesloten op het centrale plein van de nederzetting. Ook hier ligt een brandende stapel mensen die een dikke grijze rookwolk voortbrengt. De bezeten menigte komt tot stilstand in een grote cirkel om mij heen. Voor mij staat een groot figuur in een donkerbruine, lange jas. Hij stapt mijn richting uit en grijpt me hardhandig vast bij de kaken, terwijl ik mijn handen om de zijne klem. ‘Wie ben je godverdomme!’ ‘Mbaya rafiki nina njaa! Wapi choo!’, gromt de beste man nors in een voor mij onduidelijke taal. Vervolgens smijt hij me hardhandig weg en schreeuwt hij wat tegen de anderen. Die komen dreigend naar mij toe sloffen, terwijl ik op de stoffige grond lig.

Terwijl ik, verzekerd van een bloederig einde, naar de hemel tuur snijden er plots rotorbladen door de donkergrijze rookwolk heen. Een helikopter cirkelt boven mij en ik zie een gezicht naar buiten turen. Hij roept wat naar binnen, maar voor mij is allang niet meer duidelijk wat er gaande is. Dan wordt er een touwladder naar beneden gegooid. Ik aarzel geen moment en grijp hem vast. De lange Afrikaan kijkt verbaasd om zich heen als hij ziet dat ik aan de ladder omhoog wordt getakeld. Die verbaasde blik is zijn laatste, wanneer ik mijn laatste kogel tussen zijn ogen knal. De menigte blijft verslagen en verrast achter, en ik zie de nederzetting verdwijnen aan de horizon. ‘Goed dat uw peilzender nog werkte, meneer Redfield! Anders hadden we u hier nooit gevonden’, zegt de zwarte man in BSAA-kleding tegen mij. ‘We zullen u zo snel mogelijk naar de basis brengen, waarvandaan u verder kunt reizen naar Kijuju.’ Opgelucht plof ik neer in de helikopter en sluit ik mijn ogen.

Vijf uur later ben ik wederom op weg in mijn terreinwagen. Heerlijk die brandende zon, met een armpje uit het raam en de steentjes die onder de banden vandaan schieten. Ik breng mijn auto tot stilstand en een bijzonder aantrekkelijke vrouw komt mijn richting uitgelopen. ‘Mijn naam is Sheva Alomar, ik ben je partner bij deze missie’, spreekt ze me toe. Verdomme, is het toch een vrouw geworden! ‘Hé, ik ben Chris. Zullen we dan maar aan de slag?’

Plaats een reactie