1. Edit: Het Veerboot-avontuur

Edit: Het Veerboot-avontuur

‘Florian, kom! We moeten een beetje opschieten hoor!’ roept mijn moeder vanuit de hal. Snel geef ik mijn oma nog een afscheidszoen en mijn oom en neefje een hand en loop de trap af richting de voordeur. Ik loop achter mijn moeder aan en stap de grijze volkswagen in.

Een kwartier lang Marco Borsato en André Hazes later zijn we bij de haven aangekomen, waar mijn moeder en ik de auto verlaten om een kaartje te gaan kopen. Eenmaal aangekomen bij het loket krijgen wij te horen dat de boot van 10:30 vol zit, wat inhoudt dat Dhr. Maas zijn trein van 10:52, die direct op de boot aansluit, zal moeten missen. Dit houdt vervolgens in dat hij een trein later zal moeten nemen, wat het logische gevolg heeft dat de trein ook later in Leiden aan zal komen dan zijn collega-trein die een uur eerder vertrokken is.

Beleefd vraag ik de vrouw achter het glas dan ook of er niet nog één persoon bij kan op die boot, want zo zwaar ben ik nou ook weer niet. Maar nee hoor, met een chagrijnige blik en een poging tot een vriendelijke stem krijg ik te horen dat dat écht niet gaat, want het maximum aantal personen is al bereikt. Ik wil niet veel zeggen hoor, maar we kunnen schapen klonen, we kunnen raketten naar de maan schieten, we kunnen kippen genetisch manipuleren zodat ze kaal geboren worden, maar 182 man plaatsen op een boot die voor 181 man gebouwd is? Nee hoor, te moeilijk, te ingewikkeld. Op een beleefde manier vraag ik de vrouw achter het glas wat voor gevolgen één persoon nou kan hebben op het verloop van de reis. Mijn vraag ontwijkend zegt ze, dat als ze mij op de boot toe laat, dat ze al die andere mensen dan ook nog toe moet laten en gebaart naar de hal achter me. Ik draai me om en een grote lege ruimte gaapt me aan, waarin een langzaam groeiende kamperplant het enige teken van leven is. Ik roteer me verder tot ik een perfecte hoek van 360 graden heb gemaakt zodat ik weer richting het glas kijk, maar de vrouw achter het glas heeft ruimte gemaakt voor de leegte achter het glas.

Kreng.

Ik kijk door het glas richting zee, en zie dat de boot vertrekt, zonder mij.

Een half uur verstrijkt en de kleine ruimte vult zich met steeds meer en meer mensen. Ik schat dat de gemiddelde leeftijd zo rond de zeventig ligt, want het is en blijft nou eenmaal Zeeland.

Vastberaden om de volgende boot, die nu elk moment aan kan komen, niet te missen besluit ik om maar een beetje vooraan te gaan staan. Ik wring me tussen de bejaarden en veel te oude mensen door om vervolgens vlak voor de elektronische poortjes te eindigen. ‘Mooi, hier sta ik goed, dan kan ik straks als eerste naar binnen’ denk ik nog, terwijl één van de medewerkers zijn glazen kast uit komt om de poortjes te openen. Maar in plaats van bij mij en de elektronische poortjes te stoppen, loopt hij door naar de andere kant van de kamer om daar gewoon een stom hekje te openen, waar iedereen dus blijkbaar doorheen moet. Ligt het nou aan mij, of hebben die stomme medewerkers een complot gesmeed en zitten ze me nu uit te lachen? Maar zo makkelijk laat Florian zich niet beetnemen, en al klimmend worstel ik me door de massa demente antiek naar de andere kant van de kamer, zodat ik nog vóór nummer 181 op de boot stap. Ik hoor de man naast het hekje tellen; ‘150, 151, 152…’ Het hekje komt al steeds dichterbij ‘160, 161...’ Nog een paar stappen… ‘168, 169…’ En ik ben binnen! Als trotse nummer 170 hoor ik het verbaasde gebrabbel van de nummer 182 nog achter me. ‘Ja, maar…’ Het geluid verstomt in de verte, en triomfantelijk stap ik de boot op.

Moraal van het verhaal: Ga niet met de boot, tenzij het echt niet anders kan.

Dit artikel delen

Over de auteur