1. O, wat is het toch fijn om sterfelijk te zijn

O, wat is het toch fijn om sterfelijk te zijn

Helios, de zonnegod, spoorde zijn vurige paarden aan om de wagen sneller te laten vliegen. Vanochtend was hij maar eens vroeg opgestaan. Dan gaan de stervelingen vlug aan het werk, dacht hij. En hij had nog een andere reden om zijn heldere stralen op de aarde te doen neerkomen.

Die reden knipperde op dat moment met zijn ogen en krabde aan zijn bebaarde kin. De reden heette Zeus en had een ochtendhumeur van hier tot ginder. Hera had hem de vorige nacht wel heel erg onder vuur genomen. Ze had zijn affaire met zijn zoveelste vriendinnetje ontdekt, en dat had hij geweten ook. De toorn van een vrouw is gevaarlijk. Die van een godin is allesverwoestend.

Zeus vond dat Hera hem wel eens wat meer ruimte mocht laten. Ten slotte was hij een god, de oppergod nog wel. Dan heb je toch wel recht op wat ademruimte? Bovendien bleef hij eeuwig leven, en de eeuwigheid met één en dezelfde vrouw doorbrengen, die ook nog eens je zus is? Daar word je op den duur ook moe van.

Hij knipte in zijn vingers en een windvlaag gooide de dekens van hem af, legde zijn kleren voor zijn voeten en opende de deur van zijn verblijf in de Olympus. Nadat hij zijn toga had aangetrokken, liep hij naar buiten. Daar prikten de felle speren van Helios in zijn ogen. “Die doet wel erg zijn best vandaag, de uitslover”, mompelde Zeus. Hij liet een donderwolk zijn ogen bedekken, zodat hij tenminste geen last van de zon zou hebben.

Ondertussen waren alle stervelingen al wakker en aan het werk. Ze werden nietsvermoedend gadegeslagen door Zeus, die stiekem al weer op zoek was naar vrouwelijke schoonheid. En die vond hij. En niet zo maar eentje. De gelukkige (of ongelukkige) kwam net naar buiten lopen om in een rivier te baden. Verder was er niemand. Het hart van de oppergod rommelde net zo hard als zijn grootste donderwolk ooit had gedaan. Hij keek even om zich heen, zag niemand en sprong van de Olympus af. In zijn vlucht veranderde hij zich snel in een witte adelaar. Zo kon hij het meisje ongemerkt benaderen. Dacht hij.

Want hij was de zonnegod compleet vergeten, die immers alles ziet. Dus ook zijn geflikflooi met mensen. En laat Hera Helios nou net hebben gevraagd extra op te letten, wat hij dan ook deed. Toen hij het voorval aan haar verklapte, sprong ze op en vloog met een vastbesloten blik weg, razend en tierend. “Ik zal die man van mij eens leren me te bedriegen, vuile schuinsmarcheerder dat hij d’r is! Als hij niet onsterfelijk was…”. Haar gevloek verwijderde zich.

Helios keek naar beneden en zuchtte. Wat is de eeuwigheid toch lang. En wat moet het toch fijn wezen om een onwetende, onbelangrijke sterveling te zijn.

Dit artikel delen

Over de auteur