1. Toy Story (vol. 1)

Toy Story (vol. 1)

Den Haag is recentelijk op het geweldige idee gekomen alle middelbare scholieren verplicht stage te laten lopen. Nu ik in de vierde zit, moet ik er ook aan geloven. Samen met Pieter, een goede vriend, spreek ik af om alles samen te doen. Omdat wij beiden over een onvoorstelbare luiheid beschikken, spreken we af om de school het papierwerk te laten regelen. Ik had verwacht dat de leraren, gemeen als ze zijn, ons op zouden zadelen met een afgrijselijk baantje zoals het opdweilen van bejaardenkwijl in een verzorgingstehuis. Gelukkig hadden ze een vergevingsgezinde dag; ik mag op een speelgoedbeurs gaan werken!

De beurs wordt jaarlijks georganiseerd door de Vincentiusvereniging. De dag vóór de bewuste stage zelf worden wij ontboden in het hoofdkwartier: het Vincentiusgebouw. Daar krijgen we informatie over wat de vereniging zoal doet en ook worden we getrakteerd op een stukje oninteressante geschiedenis van de oprichter van de Vincentiusvereniging: Vincentius (originaliteit ten top). De vrouw die ons onderwijst is een aardige, doch straffe madame die veel plezier beleeft aan het helpen van de armen en de minder begaafden. Het publiek dat het gebouw (dat tevens als kringloopwinkel dienst doet) bezoekt, valt afwisselend in één beider categorieën. Op een gegeven moment denk ik dat iemand op een merkwaardige manier hoor kokhalzen, maar dat blijkt niets meer te zijn dan een allochtoon die een praatje staat te maken met een landgenoot. Het zet me aan het denken over het publiek dat op zo’n speelgoedbeurs afkomt.

De volgende dag is de bestemming het gebouw van het Sint Jans-Lyceum. Eenmaal aangekomen blijken de werkzaamheden al in volle gang. Vrachtwagens vol dozen moeten worden uitgeladen en gesorteerd in verschillende categorieën zoals Barbie, Lego, puzzels etc. Daarna komt de grootste klus: het uitpakken van de dozen en het plaatsen van het speelgoed op de kraampjes. Pieter en ik worden ingedeeld op de afdeling ‘groot speelgoed en buitenspeelgoed’. Daar is het de bedoeling dat we waterpistolen, trapauto’s, sjoelbakken en hobbelpaardjes gaan verkopen. Ons speelgoed krijgt dan ook relatief hoge prijzen, omdat het immers groot is.

Na het uitpakken en sorteren krijgen we een korte uitleg van de madame die ons ook de andere nutteloze dingen heeft wijsgemaakt. Dat we morgen vooral ons best moeten doen en niet te veel moeten afdingen. Ook wordt ons geadviseerd alles spic en span te hebben, daar mensen nu eenmaal eerder geneigd zijn dingen te kopen als deze netjes op een rij staan. Met een licht kriebelend gevoel in mijn buik begeef ik mij naar huis. Verkopen is niet mijn sterkste kant en de verwachtingen zijn hooggespannen.

Als ik de volgende ochtend het Lyceum binnenstap, is het kriebelende gevoel zó aangezwollen, dat ik mij serieus afvraag of iemand mij ’s nachts geen staafmixer heeft gevoerd. Met een ietwat verdwaasde stemming ga ik zitten voor de onnodige peptalk die min of meer een herhaling is van de uitleg van gisteren. Tijdens deze redevoering valt mijn oog op een uitspatting van vrouwelijk schoon. Een nieuw gezicht! De jongedame die een paar stoelen voor mij zit kijkt met een lieflijke uitdrukking om zich heen. Ze draagt een openhangend vest met daaronder een weinig verhullend shirtje. Ze is in ieder geval niet bang om zichzelf te laten zien, denk ik bij mezelf. Met blij opgetrokken wenkbrauwen en licht omgekrulde mondhoeken neem ik mijn positie in bij mijn verkoopplaats. “Kom maar op”, zeg ik zachtjes tegen mezelf. Niets is beter voor je zelfvertrouwen dan een tinteling in je mannelijke gedachtes.

Om half elf gaan de deuren open. Direct stormen kuddes grootouders met hun kleinkinderen naar binnen. Het zou me niet verbazen als we na afloop een platgewalst kinderlichaampje terugvinden. De tsunami van mensen breekt enigszins op de afdeling knuffels. Daar al blijven veel jonge kinderen aan hun opa’s en oma’s bungelen om hen te dwingen een bootlading knuffels te kopen. Gelukkig lopen sommige mensen ook doelbewust door naar de spullen waarvoor zij speciaal hierheen zijn gekomen. Daardoor word ik niet zozeer overspoeld door kopers en kan ik het rustig aan doen, om me heen kijkend naar bijzondere personen waar ik over kan schrijven. Zoals ik al hoopte, zijn er veel excentrieke mensen aanwezig. Een oudere vrouw met hoog opgetrokken kousen en bergschoenen staat te kijken naar een boksbal, ondertussen haar gele hoofddoek vastknopend. Ze draagt een verfomfaaide, knalroze jas met bloemenmotief die zij ogenschijnlijk sinds 1971 niet meer uit heeft gedaan. Ze wordt gepasseerd door een bijzonder vadsige dame die zo snel haar dikke beentjes haar kunnen dragen het gebouw doorrent. Ze heeft een gepijnigde uitdrukking op haar gezicht, alsof ze allergisch is voor speelgoed en haar vege lijf tracht te redden door te proberen de verschrikkelijke invloed van alle speeltjes te ontwijken. Intussen is een buitenlandse vrouw naderbij geslopen en overvalt ze mij met de vraag waar de ‘warbistools’ zijn. “Pardon?” vraag ik vriendelijk, in een poging mijn vooroordelen de kop in te drukken. “Wat zei u?” “Waar zijn de warbisoolts?” Op het moment dat ik vragend mijn schouders op wil halen, komt net een mevrouw langs die mijn verbijsterde gezicht moet hebben opgemerkt, want zij begeleidt de buitenlandse met zachte hand naar de waterpistolen.

Dit artikel delen

Over de auteur