1. Toy Story (vol. 2)

Toy Story (vol. 2)

Ik vertel dit amusante voorval aan een andere jongen die hier vrijwillig werkt. Hij schijnt mijn enthousiasme niet te delen, maar dat had ik eigenlijk ook niet verwacht. Zijn stem klinkt als die van een kettingrokende, volwassen vrouw en dat terwijl hij zelf een jaar of dertien is. Ook vraag ik me ten zeerste af of hij ooit van het begrip “humor” heeft gehoord.

Plotseling wijst hij naar een bepaald punt achter me. Een vrouw staat met haar dochter over een roze poppenhuis gebogen en lijkt van plan het te kopen. Aangezien poppenhuizen onder mijn afdeling vallen, loop ik naar haar toe en vraag ik of ik haar misschien zou kunnen helpen. Wanneer zij haar hoofd mijn richting in draait, kan ik nog net een gnuif onderdrukken. Haar gigantische, knalrode bril rust op het uiterste puntje van haar kaarsrechte neus en haar lippen hebben dezelfde, opvallende kleur. Haar kapsel kan nog het beste worden omschreven als “modern” en haar oorbellen bestaan uit een kitscherige verzameling felgekleurde stukjes glas. Dochterlief heeft er zo te zien een sport van gemaakt zo veel mogelijk op haar moeder te lijken. Ze heeft hetzelfde kapsel, een soortgelijk belachelijke bril en kijkt mij op dezelfde manier aan.

“Mag ik dit poppenhuis meenemen?” vraagt ze zo lief mogelijk. “Ja schatje,” antwoordt haar moeder, “dat zei ik net al. Eh, hoeveel kost deze?” Ik weerhoud mijn ogen ervan zich ten hemel te werpen. De prijs staat zo groot op de doos dat Ray Charles hem nog had opgemerkt. “Tien euro, mevrouw”. Nadat ik het bedrag heb ontvangen, vraagt de vrouw of ik de doos nog even naar de auto zou kunnen brengen. Geen probleem, denk ik. De parkeerplaats is hier juist achter de deur. Het kleine autootje blijkt echter in de verste uithoek te staan die maar te vinden is. Daar eindelijk aangekomen zie ik dat achterbank al is volgeladen met allerlei soorten meidenspeelgoed. Dan maar de kofferbak, daar is nog net genoeg ruimte. Als er echter een aantal onderdelen uit de doos moeten worden gehaald om het geheel te doen passen, merkt de vrouw quasi-terloops op dat er wel erg weinig meubeltjes zijn meegeleverd. En ze wilde toch juist zo graag wat extra meubeltjes. “Ben ik heel vervelend als ik je vraag de doos toch weer mee terug te nemen?”, vraagt ze met een intonatie waaruit blijkt dat dat een uiterst retorische vraag is. Ja mevrouw, dan bent u strontvervelend!, denk ik verbitterd. Maar uiteraard draag ik alles weer mee terug en moet ik de tien euro ook nog eens terugbetalen.

Bij terugkomst komt één van de organisatoren aangelopen. Haar eerste blik is verontwaardigd, net zoals ik in de eerste instantie, maar ze herstelt zich vlug en roept met joviale stem: “Mevrouwtje toch! Zo’n poppenhuis laten schieten? Dat kunt u toch niet máken?” De vrouw stamelt dat er nogal weinig meubeltjes bijzaten. De organisator ratelt nog een tijdje door, totdat de vrouw haar dochtertje meepakt en angstig wegvlucht. Ik maak van de gelegenheid gebruik om het poppenhuis opnieuw te positioneren. Een gemengd gevoel van spijt en leedvermaak raast in mijn hoofd. Dat maakt echter vlug plaats voor zelfmedelijden; ik ben de volgende ongelukkige aanhoorder van het nog steeds niet afgemaakte verhaal van de organisator. Ze vertelt een keer of vijf over haar kleinkinderen. “Jahaa, ik ben al oma!” zegt ze trots, haar boezem daarbij de lucht in werpend. “Dat had jij niet gedacht, he? Dat ík al oma ben?”. Wederom kost het mij moeite een gnuif te onderdrukken. De vrouw ziet eruit als een bibliothecaresse wier lichaamsomvang met ieder boek is toegenomen. “Nee, zeker niet”, zeg ik met een vrijwel onmerkbaar sarcastische ondertoon. Tevreden draait mijn gesprekspartner zich om en loopt weg.

Dit artikel delen

Over de auteur