1. Ondertussen, achter in de kerk...

Ondertussen, achter in de kerk...

De kerstmis staat weer voor de deur, een leuk feest, door de christenen geadopteerd van de heidenen en daarom een gezellig versierd boompje in de kamer en op eerste kerstdag met de familie een hapje eten. Leuk, maar toen ik gister voor de zoveelste keer een te vroeg uit de grond gehaalde boom de kamer in sleepte moest ik toch even denken aan de vele mensen die verplicht door moeders de vrouw meegesleept worden om ten minste die ene dag per jaar in de kerk een mis bij te wonen.

Ik zelf, als katholiek gedoopte, kom nog maar zelden in de kerk. Ik heb er nooit veel mee gehad. Ik zat op een katholieke basisschool inclusief lessen godsdienst, intensieve voorbereiding op de communie en het vormsel en iedere ochtend het “Onze Vader” voor de lessen begonnen. Kortom, ik zat er ooit eens middenin. Op een bepaald moment begin je je al kind te realiseren dat de wereld groter is dan jouw straat en komen die lastige vragen naar boven en bij mij leidde dat uiteindelijk tot de conclusie dat God niet bestaat, in welke vorm dan ook.

Vervelend, want je wordt als kind nogal eens gedwongen dingen te doen waar je niet geheel achter staat. Meestal terecht, soms ook niet. Het halen van een hostie bijvoorbeeld, “Het lichaam van christus”, moest, je had immers de communie gedaan. Het opdreunen van zinnetjes of het onvermijdelijke “Amen” tijdens de dienst. Het knielen op een ongemakkelijk houten bankje.

En euro’s doneren aan de kerk. Voor de leek, tegen het einde van de dienst wordt er een (meestal) rieten mandje doorgegeven waarin je geacht wordt een paar muntjes (of als je rijk wilt doen voor je buren een briefje) in te stoppen. Zo ook toen mijn oma werd begraven in de begin jaren ’90. Naar bleek gaat de helft van zo’n collecte tijdens de begrafenis naar de familie om vervolgmissen te plannen. Mijn oma trok nogal bekijks, het resultaat was een jaar lang iedere maand en 5 jaar daarna nog twee maal per jaar een mis die opgedragen werd aan mijn oma (houdt in, mijn oma’s naam wordt samen met de rest van de ongelukkige overledenen tijdens de mis eenmaal genoemd).

Nee, naar de kerk gaan wens ik mijn ergste vijand nog niet toe. Ten eerste lijken de pastoren niet in staat enige kleur in hun taalbeleving toe te passen. Tekstueel gezien is het monotoon en auditief gezien nog net even wat monotoner. Daarnaast is een kerk groot en de verwarming duur, het is er dus altijd Koud (met de hoofdletter K dus). De inhoud van een mis varieert zelden en als je weinig met de materie hebt is de interessantheid van zo’n mis ver te zoeken.

Maar goed, af en toe moet je wel naar de kerk. Niet omdat je dat wil, maar gewoon omdat het zo hoort. Sommige mensen geloven namelijk wel en willen graag na hun dood een begrafenismis in de kerk. En dan zit ik er toch, achterin de kerk. Dat doe je uit respect voor de overledene en uit sympathie voor de nabestaanden. Het is niet fijn, maar het moet. En daar zit ik dan, achterin de kerk. Ik participeer niet, ik observeer. Dat niet participeren doe ik niet omdat ik het niet kan (het meeste staat nog in mijn geheugen gegrift), maar omdat ik er niet achter sta. Niets is meer hypocriet dan een hostie eten als je niet gelooft, ik blijf dan ook meestal als één van de weinigen zitten als het zover is in de rij aan te sluiten.

Met het percentage niet-gelovigen in Nederland kan ik alleen maar concluderen dat de meeste mensen uit schaamte in de rij staan, bang om raar aangekeken te worden als je blijft zitten terwijl de pastoor je roept. Mijn vader –die wel gelooft, maar niet in het katholieke dogma- zit sinds vorig jaar in een rolstoel. Het zitten in een rolstoel heeft een extra nadeel, omdat de pastoor met zijn hostie naar je toekomt. Hij weigert de hostie ook, maar moet dit en public doen, terwijl de pastoor hem een verwijtende en vragende blik toewerpt.

Nee, deze kerstmis denk ik niet aan de armen in de wereld, niet aan de mensen die in oorlog moeten leven. Mijn medelijden gaat dit jaar uit naar de kerk op kerstochtend. Ten eerste gaat mijn medelijden uit naar de pastoor, die zijn kerken steeds leger ziet worden en met het uitsterven van de laatste generatie van voor de tweede wereldoorlog zijn volgelingen minstens ziet halveren in de komende tien jaar. Ook gaat mijn medelijden uit naar de mensen die niet geloven, maar gedwongen worden naar de kerk te gaan. Ik voel met ze mee en ik bid dat ze betere tijden mogen verwachten.

Ondertussen zal ik me nog een keertje omdraaien in mijn warme bed…

Dit artikel delen

Over de auteur