1. Those Summerdays...

Those Summerdays...

Het knisperende geluid van autobanden die over kleine beton-brokkeltjes rijden, de massa mensen die samen heel wat decibellen aan geluid produceert, honderden winkeltjes met ieder zijn status en sfeer, de bruisende stad. Oude flatgebouwen reiken hoog boven mij uit en verzorgen een warme schaduw, die mij lichtelijk beschermd tegen de enorme hitte. Alles ademt hitte; de gelige straatstenen, de vele ijskraampjes, maar ook de schaars geklede meisjes om mij heen. Ik ben slechts één van de duizenden die hier loopt, een mier in de mierenhoop. Krioelen doet het hier wel, er is - anders dan in vele Hollandse steden - massaal leven op straat tot in diep in de nacht en bovenalles: respect voor elkaar. Iedereen geniet aanzienlijk van de warmte en lijkt elkaar het beste te gunnen. Langs mij rijden volgepropte bussen voorbij en zie ik vele bankjes staan waar zomerstelletjes elkaar aan het vertroetelen zijn. De vele grimmige woonwijken, die ondanks het zonlicht alsnog saaiheid uitstralen, maken plaats voor verschillende winkelcentra en propvolle cafeën. Een groot plein, rijk aan bomen en natuur, ligt vlak voor mij. Ik merk echter niet alleen volwassenen op, ook kinderen rennen in het rond en genieten van de dimmende zon. Een oude man bespeelt de accordeon en reikt zijn trillende hand - waarmee hij zijn hoed vasthoudt - uit naar mensen. Er zijn er zoveel van, dus ik negeer hem; maar hier kan het allemaal.

Mijn geld moest bovendien besteed worden aan iets anders, er moesten namelijk gevulde paprika's op tafel komen en ik moest de ingredienten daarvoor verzamelen. Dus verlaat ik het prachtige plein en zijn schoongeveegde, glimmende tegels. De zon begon immers al achter de groene bergen te zakken, de felle kleuren om mij heen begonnen minder op te lichtten en de man met de accordeon telde zijn toegeworpen geld, waarna hij vertrok. Ik passeerde drukke winkelstraten die zich kenmerkden door zijn gladde, stenen tegels en groene, oude bomen. Grote groentenwinkels waren erg aantrekkelijk om binnen te lopen - het zou me bovendien vele meters schelen - maar ik had een andere boodschap meegekregen, dus bleef ik de steile hellingen opstruinen. Eenmaal boven zag ik het grote plein ver achter mij liggen, ik begon het centrum te verlaten en kwam steeds minder mensen tegen of mensen die juist averechts naar het centrum liepen. De winkels maakten weer plaats voor oude gebouwen die op instorten leken te staan, maar enige sprake van armoede leek er niet te zijn. Mensen hier hadden hun uiterlijk immers altijd al belangrijker gevonden dan hun woonplaats, het charmeerde ze.

Ik stopte mijn pas, kneep mijn ogen tot spleetjes en las de letters die op een gebroken glazen ruit stonden. 'Voce od Milice', 'Milica's groentemarkt' oftewel: het winkeltje dat ik zocht. Eenmaal binnen kon ik al snel stellen dat dit niet veel meer was dan een gebouw met een paar stoelen, kratten met groente en natuurlijk een kassa. Een meisje, ik schat haar een paar jaar ouder dan mij, keek me vriendelijk in de ogen. Ze was mager, maar haar bruine krullen en liefdevolle ogen sierden haar enorm. Even was ik al mijn Servische spraak kwijt en stotterde ik een paar woordjes uit, die waarschijnlijk erg lachwekkend klonken. Het meisje begon namelijk te lachen, maar lachtte me niet uit. Haar blik bleef op mij gericht, recht in mijn ogen. Zelf grinnikte ik een beetje en voelde een enorme warmte op mijn wangen. Toen herinnerde ik me het briefje dat ik mee had gekregen, maar niet had opengemaakt - wel zo beleefd, dacht ik. Het briefje was voor Milica, maar ik wist niet of het mooie meisje voor me de desbetreffende persoon was. Ik zette een paar stappen naar voren en schoof het briefje kil over de toonbank, hopend dat dit een goede zet van me was. Ze vouwde de brief open, legde deze plat op de toonbank en las 'm - tenminste, als een mens met zijn vinger regel voor regel verschuift leest 'ie, toch? Ondertussen keek ik naar het meisje, de scheefhangende spiegel aan de wand, de bruinige stoelen die waarschijnlijk vol houtworm zaten en de gedroogde paprika's in de kratten. Ze zagen er niet verkeerd uit. 'Aha, ik weet wie jij bent.´, zij het meisje plots op zachte toon, maar het liet me zo schrikken dat ik de gedroogde paprika uit mijn hand liet vallen en vervolgens snel naar de grond dook om deze op te pakken. Weer grinnikte ze, gaf aan dat ze ´Milica´ even zou halen en verdween; een wapperend vliegenhor en een zoete parfumgeur achterlatend.

Er kwam geen mooi, jong meisje, maar een - ik schat 50-jarige - vrouw terug. Enthiousiast schudde ze me de hand, kuste me op mijn voorhoofd en sloeg een paar kruisjes. Ik vroeg mezelf af of ze zo blij was dat haar krakkemikkege winkeltje klanten had of dat ik daadwerkelijk als een held werd beschouwd hier, te midden van een nietig winkeltje ergens in een buitenwijk. Ze pakte mijn arm en trok me mee achter het vliegenhor, waar een klein, knus huiskamertje was. Buiten was het inmiddels schemerig en daardoor was het best donker in het kamertje, aangezien een zwakke lamp al het licht verzorgde. Hetzelfde meisje, met mooie krullen en ogen, zat op de bank. Naast haar zaten nog drie prachtige meisjes - ik denk zusjes - en op de andere stoffige bank zat een bejaard vrouwtje en de man van Milica. Die laatste nam het initiatief en schudde me stevig de hand en gaf me een schouderklopje. Ik groette hem en de bejaarde vrouw redelijk normaal, maar begon (opnieuw) hevig te stotteren bij de meisjes, ware het niet dat ik waarschijnlijk verschrikkelijk rood werd. Vervolgens werd ik door het hele gezin ondervraagd; 'Hoe is het in Holland' 'Ga je naar school?' 'Heb je een vriendin?' etc. Het was niet makkelijk om mezelf te verwoorden, ik was dan ook blij toen Milica me eindelijk mee nam naar de groentetuin. Niet zozeer omdat ik kick op moestuintjes, maar ik moest gewoon even weg uit dat hete hok. Airconditioning kennen ze naar niet, halfwerkende ventilators wel...

De tuin werd prachtig verlicht door de zachte, zoete kleuren uit de hemel. Bomen straalden alsof het herfst was en een koel briesje liet de fruitstruiken zachtjes wapperen. Eigenlijk wist ik niet waarom de vrouw me meenam naar de achtertuin, maar dat werd me al snel duidelijk. Ze viste een een mand vol prachtig, bordeaux gekleurde paprika's uit de droogbakken. De felle zon had ze een warme gloed gegeven en daardoor leken de paprika's haast echt te gloeien. 'De beste paprika's die je in Pirot (de stad waarin ik me begaf) kan krijgen', fluisterde ze me toe. Dat wilde ik best geloven. We gingen naar weer naar binnen, waar de hitte meteen voor ademhalingsproblemen zorgde. Ik nam afscheid van de mensen, waarop zij mij opnieuw aardig de hand schudden. Aardig en vrijgevig, dat waren ze. Het meisje met de mooie ogen liep me achterna, samen met haar moeder. Milica stopte de paprika's in een tasje en overhandigde me deze vervolgens. 'En doe de groeten aan je moeder!, zei ze enthiousiast. 'Zal ik doen.', zei ik zo 'Servisch' mogelijk, wetend dat ik dat toch wel zou vergeten. Ik vermoedde dat het mooie meisje me enkel zou uitzwaaien, maar ze volgde me de deur uit. Het deurbelletje rinkelde, ze vroeg me of ik het erg vond als ze een stukje meeliep. 'Natuurlijk vind ik dat niet erg.', zei ik zonder te stotteren. Het bleef even stil, terwijl we samen de straat afliepen. Ik besloot het gesprek te openen: 'Wat is je naam eigenlijk?', vroeg ik met een Hollands accent. 'Andjela', zei ze met een glimlach. Een mooie, brede glimlach. Haar tanden glommen in het doffe zonlicht, ze was écht geweldig mooi. 'Ik ben Branko', het voelde haast een gedwongen antwoord. Ik had eigenlijk het antwoord 'Andjela en wie ben jij?' of zoiets dergelijks verwacht. Zo kon het natuurlijk ook. Na die openingzin praatten we over van alles. School, sport, vrije tijd; allemaal van die veilige onderwerpen. Net toen ik wat verder wilde gaan, vragen of ze misschien een vriendje heeft of iets dergelijks, nam ze afscheid. 'Ik moet hier rechts', stamelde ze. Alsof ze eigenlijk helemaal geen afscheid wilde nemen. Tegen mijn zin in knikte ik kort en mompelde ik 'doei'. Het kwam volgens mij nogal kortaf over. Ze keerde zich om, maar ik riep haar toch maar na: 'Wacht, m-mag ik je nummer?', zei ik opeens vloeiend in het Servisch - ghehe. Ze knikte glimlachend, maar moest daarna echt gaan. Ik hoopte op een kus of iets dergelijks, maar dit was geen film - helaas.

Er was nu wel een gevoel van voldoening. Ik bleef aan Andjela denken; 'Zou ze een vriendje hebben?' Vast niet.. 'Zou ze me lief vinden?' Vast wel... Een los stoeptegeltje dat ik over het hoofd zag zorgde ervoor dat ik struikelde en het tasje uit mijn handen vloog. De schade was beperkt - een kleine schaafwond. Ik raapte de paprika's op en liep verder. De zon zakte nu echt achter de bergen, ik zag de straten weer opleven met een bruisende mensenmassa, het plein zag er nu al helemaal magisch uit. Duifjes dansten verliefd op de pleinstenen, een enkel ijskraampje was nog open, een grote kring van mensen trok de aandacht. Of datgene wat daar binnen in die cirkel gebeurde; twee vuurspuwers - ik gokte Chinezen. Heel even bleef ik daar staan, op mijn tenen keek ik verbaasd toe. Al eerder had ik vuurspuwers gezien - ze waren hier zelfs veelvuldig te vinden - maar deze mensen brachten het wel érg spectaculair. Munten vlogen in het rond. Er waren sinds kort veel Chinezen en Russen te vinden in Pirot. Dit was de poort tussen Belgrado en Sofia, Servië en Bulgarije, Oost en West-Europa. Veel buitenlanders zag hier hun kans om een onderneming te starten en daar later veel winst op te maken, zoals de tientallen Chineze winkeltjes die de stad nu al kende. Het was raar om een Chinees Servisch zien te spreken, maar hier kon het allemaal.

Weer kwam ik allemaal cafetjes tegen, de één nokvol, de ander haast leeg. Status was hier alles, zonder was je nergens. Status betekent vaak geld in Servië. Een miljonair kan beroemd worden als zanger, zonder ook maar enig talent te hebben. Maffia, weddenschappen, fraude, corruptie. De mentaliteit hier is anders, de manier van denken verschilt enorm met ons Hollanders. Toch voel ik me hier thuis, tussen de zorgeloze mensen. De mensen die iedere cent uitgeven aan vrienden en lekker eten, elke avond de stad ingaan en zichzelf dronken zuipen. Als je het zo bekijkt lijkt er niets fout te zijn in Servië en toch gebeuren er heel wat dingen die niet zouden moeten gebeuren. De stad loopt langzaam vol. Zondag avond, velen komen weer terug uit de bergen, waar ze in het weekend vakantie vierden. Het ligt slechts een tien kilometers van elkaar af, maar van de drukte in de stad is niets te merken in de hoge, groene bergen en andersom ook niet. Ik houd van beide. Die geweldige sfeer in het bruisende hartje van de stad doch de frisse berglucht en zijn tientallen planten en bomen kunnen mij bekoren. Jongeren om mij heen, twaalf, dertien jaar gaan naar de discotheek. Het voelt raar om hier alleen te lopen, ik haat het om hier Nederlands te praten. Er is niets dat ik meer verafschuw dan 'toerist' zijn. Ik wil me volledig in een cultuur kunnen inleven en dat doe ik dan ook zoveel mogelijk.

Met snelle pas passeer ik de grijze, stoffige flats weer. Torenhoog zijn ze. Een paar jongeren spuitten grafitti op de gebarstte muren, zonder enige angst voor omstanders of politie. In één ding is de Servische jeugd gelijk met de Hollandse, ze hebben 'sgijt' aan de regering. Maar niet zoals hier, Servische jongeren zijn totaal níét bang voor politie en dergelijken. Door oorlog en armoede hebben ze waarschijnlijk niet eens toekomst, aangezien het geld tot nog toe naar Belgrado gaat. Ze spuitten geweldige kunstwerken en vaak ook poetische teksten op muren, geen vandalisme. Ze staan zelfs boven politie, in Servië is er maar één vriend en één vijand. Iedereen kent elkaar en kan zo in vrijwel elk geval hulp bieden in dergelijke situaties. Vandaar dat de politie dingen als grafitti spuiten al negeert, ook al verbied de wet dat. Het is zinloos, omdat men niet weet waar ze moeten beginnen. De grafitti zelf of de spuiters, met de harde hand neerslaan of democratisch? Er is geen tijd en ruimte meer om het uit te proberen, dus wordt de schade zoveel mogelijk beperkt. Ik knik met een kille blik naar de jongens en complimenteer ze voor hun werk. Ze knikken terug en zeggen niets. Hier kan het allemaal.

'Kamena Zemlja', 'Stenen Straat'. Grappig, aangezien er geen asfalt ligt in de straat waar mijn familie woont. Ze betalen echter al jaren voor asfaltering, terwijl deze steeds wordt 'opgeschort'. Mijn slippers laten kleine stofwolkjes opblazen en het bruinige zand slipt tussen mijn tenen. Een 'yugo' rijdt voorbij, iedereen had er eentje in Servië. Zo'n klein, vierkant autotje. Totdat de fabriek werd platgebombardeerd, nu is het Servische merk slechts een fractie van wat het ooit was.

Het autotje laat een flinke stofwolk achter en stinkt bovendien naar goedkope diesel. Voorzichtig stap ik de gladde oprijlaan op, ik ben hier immers al vaker gevallen. Dodgi - de hond - komt op me afgerend en likt mijn handen, ik aai hem zachtjes over zijn kop. 'Eindelijk! Ik dacht dat je nooit meer terug zou komen!', schreeuwt mijn verre, verre achter-oma met een schelle stem. Ik grinnik, overhandig haar de paprika's en plof neer op de bank, naast mijn (Hollandse) moeder. 'Is het allemaal goedgegaan?', vraagt ze in normaal Nederlands. 'Ja... Oh, en nog de groeten van Milica.', ik was het niet vergeten!

Het is inmiddels donker buiten. De paprika's smaakten verrukkelijk, wel tevreden ga ik van tafel. Voorzichtig schuif ik de piepende gaasdeur open en glip er tussendoor. Langzaam struin ik door de brandnetels naar het oude, stoffige trappetje voor de schuur. Die schuur staat bovenop de helling waar 'Deda Budimir' - een oud-opa - stiekem een hele voorraad sigaretten heeft liggen. De stenen tree waar ik op ga zitten is verwarmd door al het zonlicht en vandaar dat ik niets voel van de koude bries die waait. Het uitzicht op de stad vanaf hier is fantastisch. De duistere stad wordt opgelicht door verschillende lichtjes, ik zie het plein liggen. Vanaf hier, op dit tijdstip, is het het mooist. 'Zo, zo. Toch niet mijn sigaretjes aan het oproken, hé?', roept Deda Budimir lachend. Hij komt in slome pas de helling opgelopen. 'Straks horen ze U nog', zeg ik spottend. Even is het stil, het klikkende geluidje van Deda's aansteker, weer stilte en het licht van zijn sigaret dat brand in de duisternis. Dodgi komt naast me liggen, ik streel hem voorzichtig over zijn zachte kop. Deda verdwijnt in de schuur, rommelt wat en komt terug met een heuse accordeon. Met een harde klap komt hij naast me zitten, maar hij lijkt zich niet te hebben bezeerd. Hij zet zijn petje scheef, rekt de accordeon twee keer uit elkaar en begint te spelen. Geweldig, de liederen die hij uit zijn hoofd kent. Vroeger speelde hij op bruiloften, om zijn geld mee te verdienen. Ik houd van deze muziek, ik ben trots op mijn afkomst en deze cultuur. Hier ben ik thuis.

Ik glimlach naar Deda als een soort compliment voor zijn kunsten op de accordeon. Hij glimlacht terug en sluit zijn ogen. Ik zie de stad, het plein, de meisjes, Andjela, de vuurspuwers, paprika's en nog altijd het licht uit de sigaret. Ook ik sluit mijn ogen en geniet van de muziek; hier kan het allemaal...

Dit artikel delen

Over de auteur

Mad