1. Those Summerdays... - Deel II

Those Summerdays... - Deel II

Na positieve reacties op mijn eerste log, heb ik besloten een tweede deel te plaatsen. Ik hoop dat deze jullie ook kan bekoren: enjoy.

Ze loopt weg, ze rent zelfs. Hordes mensen gaan aan me voorbij. Ik kan haar niet zien. Verstomt kijk ik in de rondte, nergens is ze te bekennen. Ik schreeuw, pak wanhopig mensen vast en begin weer te sprinten. Het lijkt wel of ze me niet zien. Even zie ik haar glimlach, ze knipoogt en... verdwijnt weer. De brandende zon laat mijn hoofd tollen, het is zó verschrikkelijk heet. Een oude man zwaait met zijn hoed in zijn hand naar me, ik sprint op hem af en spurt mijn oren. Ik kan hem niet verstaan. Oorverdovende accordeon-muziek en het schelle geluid van de massa mensen maakt me hopeloos, ik moet haar vinden. Plotseling staat ze achter me, achter een grote jongen - ik schat 20 jaar. Hij slaat me in mijn gezicht, niet hard, maar het lijkt op een duidelijk gebaar. 'Hé! Luister! Verdomme, wordt wakker!', schreeuwt de stem...

Geschrokken spring ik op uit mijn aerobed; het was maar een droom. Mijn hart slaat in een halve-tel ritme, zwaar bezweet probeer ik te kalmeren. Het donker helpt me weer rustig te worden, voorzichtig schuif ik het stoffige gordijn naast mijn bed open om naar de prachtige sterren te staren. Ik besluit naar de keuken te gaan, maar steun met mijn hand in een lichtrode, plakkerige limonadevlek. Mijn drinkflesje is hoogstwaarschijnlijk van de houten plank gevallen door mijn hevige geschud, op mijn wang beland - waarschijnlijk de klap - en vervolgens open gegaan; een grote plas limonade achterlatend. Behendig pak ik het lege, plastike flesje op en verlaat ik mijn bloedhete kamer. Op mijn blote tenen sluip ik over de koele tegels, naar de keuken. Eerst laat ik mijn overhitte hoofd koelen door deze onder de kraan te houden, daarna vul ik mijn flesje met water. 'Wie is daar?', is wat mijn oor opvangt, terwijl het oogverblindende licht van de lamp langzaam aansterkt. Verschrikt kijk ik om, waarna ik weer gerustgesteld wordt; het is mijn tante maar. 'God, wat moet jij hier midden in de nacht, mijn zoon?', zegt ze opgelucht, terwijl ze de draadjes van haar nachtjapon aftrekt. Stom van mij, in dit land drinken of wassen mensen hun handen niet in de keuken, maar in de badkamer. Ook is mijn tante op haar hoede sinds er een paar maanden geleden is ingebroken in haar kleine, houten huisje. Die gebeurtenis heeft haar zo beïnvloed, dat ze over niets anders meer praat. Even staar ik naar het gewrikte raam, dat daar als een soort litteken aanwezig is. Nog altijd kent de ruit kleine barstjes, eigenlijk zou 'ie moeten worden vervangen, maar daar is geen geld voor. Afwachtend leunt mijn tante tegen de deurknop, met een koude blik in mijn ogen gericht. 'Eh, ik had dorst.', was het enige dat in me opkwam. Zonder een woord te zeggen keerde ze zich om, alleen het geluid van een krakende houten vloer achterlatend. Haar lichaamsstaal sprak echter boekdelen.

Ik draai het verroestte kraantje weer dicht, wring me voorzichtig tussen alle meubelen in de krappe keuken door, sluit de deur en loop voorzichtig richting mijn muffe kamertje. Even gluur ik de bloedhete kamer van mijn ouders binnen; ze lijken allebei diep vertrokken te zijn. Dus laat ik het piepende, donkere hout weer los en kruip ik mijn bed weer in. Het gordijn laat ik openstaan, waardoor het witte maanlicht mijn dekens verlicht. Nog nooit heb ik de sterren zo helder zien schijnen noch de maan zo vol gezien. Ze imponeren me... en terwijl ik de grote beer zoek, val ik weer in slaap.

'Ajde sine, dorucak!', 'Opstaan zoon, ontbijt!', de woorden die me wreed uit mijn slaap halen. Het wazige, gerimpelde gezicht van mijn oud-tante staart me aan. Ik wrijf in mijn ogen. Haar waterige pupillen kijken me aan, met een zachte glimlach legt ze haar trillende hand op mijn haast kale hoofd. Het was niet makkelijk om een vriendelijke blik op mijn gezicht te toveren, ik voelde me misselijk en had het verschrikkelijk warm. Dat zei ik ook tegen haar, maar ze hield voet bij stuk; ik moest eten, groeien en een groot man worden. Of het nou haar blik of die woorden waren die me overtuigden, ik besloot naar haar te luisteren. Wellicht sprong ik wat te gehaast uit bed, alles begon te draaien voor mijn ogen. Ik probeerde naar buiten te kijken, maar de zon stond brandde al aardig fel en bezorgde me enkel hoofdpijn. Ik sloot de gordijnen - een wanhopige poging om het wat koeler te maken in mijn kamer - raapte wat kleren bij elkaar en verdween de badkamer in. Mijn evenbeeld staarde me aan, het was dat ik een bruine tint had gekregen van alle zon. Ik zag er namelijk ziekjes uit. Misschien toch kou gevat gisteravond, misschien overdreef ik wel. Van nature was ik geen ochtendmens, laatstaan iemand die genoeg heeft aan zo'n vijf uur slaap. Rust, dat was de remedie die mij al jarenlang hielp tegen verkoudheid. Ik had echter angst voor ooronsteking, de kwaal waar ik iedere zomervakantie last van had. Verschrikkelijk pijnlijk en lastig te bestrijden, laatstaan dat ik vandaag rust zou kennen. Iedere dag hier was een ware belevenis. Mijn evenbeeld staarde me nog één keer zelfverzekerd aan voordat ik de deur achter me dicht sloeg. Ziek worden zal ik niet.

Het ontbijt bestond uit restjes paprika, geitenkaas, salami, brood en een nieuw fenomeen waar ik kennis mee had gemaakt: melk. Tuurlijk is melk een bekend goedje, maar ik heb het nooit lekker gevonden. Totdat mijn tante me een glas voorschoof, romige melk die ze had gemengd met vanille-extract. Vandaag lukte het echter amper om iets weg te krijgen. Zelfs de overheerlijke paprika's van gisteren gingen er niet in. Zes mensen, krap naast elkaar genesteld rond de kleine tafel, keken naar mij. Mijn achter-oom Zoki was de eerste die zich over mij ontfermde, zijn hondstrouwe bruine ogen bestudeerden mijn gezicht. 'Je ziet er niet al te best uit', zei hij zorgelijk. 'Goh, dat weet ik ook wel' was hetgeen wat ik eigenlijk wilde zeggen, maar zijn bezorgdheid om mij liet me enkel een kort knikje geven. Na een paar grappen over ziekten van mijn oudtante en het moed inspreken - 'Joh, het komt wel weer goed' - begon iedereen zich langzaam van de tafel te verwijderen. Dat was noodzakelijk, het piepen van de houten stoeltjes was enorm irritant. Mijn vader zat naast me en begon - zoals altijd - over eten. Als ik niets binnen zou krijgen, nou dan zou ik nog weleens flauw vallen. Normaal word ik boos als 'ie er weer over begint, maar ik had er niet eens de energie voor. Ik vermeed de discussie, verliet met het nodige gepiep de kleine keuken en zwalkte als een zombie naar buiten. Ik zocht schaduw, tevergeefs.

Ik probeerde mijn zieke gevoel te vermijden, wederom tevergeefs…

2BCONTNUED.

Dit artikel delen

Over de auteur

Mad