1. Those Summerdays... - Deel IV

Those Summerdays... - Deel IV

Wat er voorafging, kun je hier teruglezen.

Veel leesplezier!

Mijn oom was een verschrikkelijk goede chauffeur, iets wat je misschien niet zou verwachten van een type als hij is. Maar al te vaak overtreed hij het toegestane snelheidslimiet, scheurt hij om overstekende voetgangers heen en vermijd hij zo uiteindelijk files. Om in de bergen te komen, moeten we eerst door het hartje van de drukke stad heen. Zie het als een soort ‘de weg naar het licht, kan enkel gevonden worden daar waar het donker heerst’ of zoiets. Ik had er echter het volste vertrouwen in dat mijn oom alle drukte zou vermijden met zijn wilde rijstijl. Het was bloedheet in de jeep, dus draaide Zoki zijn raampje helemaal open. Vrijwel meteen voelde ik de wind in mijn oor waaien, die voor behoorlijke pijn zorgde. Het was misschien dom, maar ik wilde niet afgaan door te zeuren over mijn oor. Dus zweeg ik, probeerde met mijn hand mijn oor dicht te houden en genoot van de mogelijkheid om adem te halen in de – nu niet meer zo – hete jeep. Ik bond mijn gordel om, de smerige jeep begon hevig te trillen. De motor accelereerde, Zoki gaf plankgas op één van de vele hobbelige weggetjes die de buitenwijken kende. Mijn hoofdpijn begon terug te keren en ik werd aardig misselijk, dus sloot ik mijn ogen en probeerde ik zo min mogelijk te letten op de gebarsten weg. ‘Alles nog, oké?’, vroeg mijn oom voorafgaand aan een kinderlijk lachje. Ik schudde spottend met mijn hoofd, maar Zoki nam het – gelukkig – serieus en remde af. Ik opende mijn ogen, maar misselijk was ik nog steeds. Langs de roestige vangrail ving mijn oog zwervers en krotten van huisjes op; we waren waarschijnlijk in het armere deel van de stad. Liftende mensen stonden zó dicht op de weg dat ze makkelijk aangereden konden worden, moeders in vodden gekleed – hun kinderen dragend – wachtten hier op rijke buitenlanders die voorbijkwamen. Niet dat je die hier vaak zag, maar er wilde nog wel eens een rijke Europeaan de weg kwijt zijn naar Turkije of iets dergelijks. Maar lang niet iedereen hier was ‘echt’ arm, er werd veel toneel gespeeld.

De bruine, ouderwetse torenhoge flats staarden me aan. Ik voelde me schuldig, ik had het maar goed als West-Europeaan. Zoki gaf weer gas, maar dit keer vond ik het niet erg. Ik haatte dit deel van de stad en wilde er zo gauw mogelijk weg. Er was echter nog één kruispunt waar we voorbij moesten. We naderden een gebarsten stoplicht dat een dof rood licht toonde. Door het zonlicht kon je amper zien op welke kleur hij stond. Zigeuners in gescheurde, ruime hemden klopten op de stoffige ramen van auto’s. Ze boden aan – of dwongen eigenlijk – de ruiten te wassen. Zoki knikte kort, haalde zijn portemonnee uit zijn bezwete overhemd en stopte de mannen een paar munten toen. Deze knikten vriendelijk en gooiden vervolgens een hele hoop bruinig water over de jeep heen. Dat zag er zo smerig uit dat ik betwijfelde of de ruiten er wel schoner op werden. Ach, je weet niet wat ze doen als je ze negeert. Er gaan verhalen rond dat ze je je auto uitgooien en je beroven of zelfs de auto zelf stelen. Zoki was opgelucht toen het stoplicht op groen sprong en de mannen aan de kant gingen en nog een keer nors knikten. De hoge, gebarsten gebouwen en krotten lagen nu honderden meters achter ons, het grote glimmende gemeentehuis – dat het centrum kenmerkte – enkele tientallen meter voor ons. De zwervers maakten weer plaats voor ‘normale’ voetgangers, het gebarsten steen voor grijs, strak asfalt. Het geluid van honderden toeterende auto’s signaleerde mijn oom dat hij moest beginnen met het ontwijken van de drukte, maar het was al te laat. We stonden muurvast tussen tientallen auto’s, terwijl de reflecterende wolkenkrabbers de zon alleen maar feller laten schijnen, in plaats van schaduw te verzorgen.

‘Nog heel even, dan zijn we in de groene, frisse bergen!’, Zoki probeert – zoals altijd – positief te blijven. Het heeft wel effect, we kunnen toch geen uren doen over die paar kilometers? Met hevig geklop lucht ik mijn shirt, zucht even diep en pulk wat draadjes uit mijn broekzak. Het dashboard is waarschijnlijk ook niet meer wat het ooit is geweest. Elektronica puilt uit aan alle kanten en het gat recht voor me laat me zien waar ooit een airbag heeft gezeten. Mijn mobiel trilt, twee keer, een sms’je dus. Als ik ‘Andjela’ op mijn display zie staan, schrik ik zo erg dat het stukje technologie bijna uit mijn hand valt. Zoki kijkt me een fractie van een seconde verbaasd aan, waarna hij zijn ogen weer op de lange rij auto’s voor ons richt. Vol spanning druk ik op ‘tonen’, maar tot mijn teleurstelling is het sms’je in het Cyrillisch – Servische letters. Natuurlijk, Zoki kan het wel lezen! Dat doet hij, op voorwaarde dat ik hem alles vertel over haar.

Ach, wat heb ik anders te doen in deze ellenlange file? Dus zo vertel ik hem uitgebreid over haar glimlach, ogen, schitterende haar; terwijl de auto’s langzaam in beweging komen…

2BCONTINUED.

Dit artikel delen

Over de auteur

Mad