1. Those Summerdays... - Deel V

Those Summerdays... - Deel V

Ivm met onstoken oog (nu nog steeds) en griep nu pas de beloofde log. Het vorige deel lees je hier. Dus lees nu maar snel, nieuwgierige log-lezer!

Zoki's grote ogen glimmen in de bakende zon, terwijl ze op mij gericht staan. Na dat ik mijn uitgebreide verhaal beëindigd heb door enkele seconden te zwijgen, knikt hij tevreden en zakt hij rustig terug in zijn stoel. 'Zo, zo', zegt hij spottend met een glimlach van oor tot oor. Ik zou bijna vergeten waarom ik hem dit hele verhaal heb vertelt en vraag hem nieuwsgierig wat er nou eigenlijk in dat sms'je stond. Dat éné sms'je, dat zo verschrikkelijk veel zou kunnen uitmaken. Misschien wilt ze afspreken of is ze in nood? Ze houdt van me of ze laat juist weten dat het nooit iets tussen ons kan worden? Nee, dat laatste vast niet. Ongeduldig tikken mijn vingers op het verhitte dashboard en stampen mijn schoenen een soort muziek-ritme. Zoki legt de mobiel weer op mijn schoot. 'En?', vraag ik op ongeduldige toon. 'Sorry, ik lees geen Cyrillisch', zegt hij kortaf, waarna hij oogcontact vermijd en in lachen uitbarst. Alle Servische scheldwoorden en krachttermen schieten mijn mond uit, maar dat maakt zijn lachbui enkel heviger. Uiteindelijk kan ik me ook niet meer inhouden en wordt de jeep enkele tientallen seconden gevuld met het harde geluid van de schelle lach.

Dat wordt abrupt onderbroken als de auto's achter ons beginnen te toeteren. Het gladde asfalt, bedekt met dampen van de hitte, voor ons is leeg en dus krabbelt Zoki overeind en drukt hij met veel moeite het gaspedaal in. Mocht het net zo zijn dat de jeep nog in z'n één staat en de auto een oorverdovend geluid van acceleratie creeërt. Tegelijkertijd springt de radio plots aan. 'Dat is al tien jaar niet meer gebeurd', zegt Zoki verbaasd doch grinnikend. Enkele minuten vult het geluid van een Bulgaarse stem, die vreselijk snel en irritant praat, de jeep, terwijl de gebouwen eindelijk weer voorbij schieten. Ze lijken steeds hoger te worden, wat er wel voor zorgt dat de zon er eindelijk achter verdwijnt. Het zoveelste rode stoplicht nadert ons, eigenlijk andersom natuurlijk. De radio valt weer uit en Zoki en ik zakken tegelijk met een diepe zucht achteruit. Ik sluit mijn ogen heel even en kijk het drukke kruispunt over. Daar ligt het grote, rode plein weer. Ook vanaf hier ziet het er fenomenaal uit. De duifen, het hemelsblauwe fonteintje, Andjela... Dan spring ik op uit mijn stoel, waardoor ik Zoki flink laat schrikken, maar dat boeit me dan even niet. Haar glimmende hoofd kijkt me aan en glimlacht. Ze zwaait, dus ik zwaai terug. Dan rijdt Zoki abrupt weg, maar ik neem hem niets kwalijk. Beter dit dan dat ik hem weer herinner aan zijn grap van net.

Maar... die grap ging over haar sms'je! Had ze me net nog wat willen zeggen? Dacht ze dat ik alles al had gelezen in haar sms'je? Dit sloeg echt nergens op; ik zat überhaupt naast een Serviër, geboren en getogen. Alsnog kon ik de sms niet lezen! Minachtend vroeg ik waarom hij geen Cyrillisch kon lezen, waarna de stilte viel. Zoki zijn vrolijke grijns verdween en peinsend staarde hij uit zijn raam. 'Als ik je dat kon vertellen, broertje', mompelde hij terwijl hij op zijn lip beet. Verbaasd keek ik hem aan en zonder iets te zeggen begon hij nu zí'jn verhaal te vertellen. Met betraande ogen vertelde hij hoe hij van zijn familie in Kosovo was weggehaald en per geluk niet in een vluchtelingenkamp, maar in Dimitrovgrad belandde. Het verbaasde me hoe pijnlijk het nog voor hem was om erover te praten, dus legde ik een troostende hand op zijn rug. Hij staarde doelloos naar zijn stuur en leek zijn blik op de weg te verliezen. Gelukkig waren we bijna bij de Planina-pas en dus bijna uit Pirot. De zon weerkaatste weer fel op het lege asfalt voor ons, nu er bijna geen hoge gebouwen waren die ons van de zonneschijn beschermden. Ik vroeg me af of mijn vader van dit verhaal afwist... of hij wist dat zijn achterneef eigenlijk gevonden werd in een klein stadje dat leefde van de mijnbouw aan de Bulgaarse grens. Deda Budimir, goede Deda Budimir vond hem en nam hem mee naar Pirot, waar hij Zoki zou opvoeden als zijn bloedeigen zoon. Geen wonder dat Zoki hem zo dankbaar was en hem liet doen wat hij wilde in en rondom het huis.

Ik kon me nu zóveel beter inleven in zijn situatie. Tuurlijk was hij dolblij met zijn baan als ontwerper in de bergen; hij had vanaf zijn achtste geen school meer gevolgd. Hij kon nauwelijks Latijns handschrift lezen, laatstaand Cyrillisch. Hij wist echter niet alles meer van zijn reis naar Dimitrovgrad, maar had van andere mensen gehoord dat wel meerderen werden verdoofd op hun deportatie-reis. Zo kon niemand te weten komen van de geheime praktijken die de Albanezen uitvoerden in het verdrijven van Serviërs. Dat alles is gebeurd in 1984, want nu is Zoki eenendertig jaar oud. Het is een wonder dat de conflicten pas vijfiten jaar daarna uit de hand zijn gelopen.

1999, het jaar dat geen één Serviër ooit nog zal vergeten. Het is inmiddels negen jaar geleden, maar de wonden zijn nog aardig vers.

Eindelijk begint de zon te dimmen en begint hij zich te verplaatsen naar de groene, hoge bergen voor ons. Na de haast dodelijke drukte in het centrum, staat ons nu de gevaarlijke weg naar boven te wachten. Ik staar voor de laatste keer wanhopig naar de vangrails naast de nog tientalle meters doorlopende weg, voordat we de ongeasfalteerde bergweg oprijden. God zegene de vangrails, als de bergweg die tenminste kent...

Dit artikel delen

Over de auteur

Mad