1. Wat ik heb bedacht te geloven (dl. 1)

Wat ik heb bedacht te geloven (dl. 1)

In deze weblog ga ik verder met de traditie te verbreken om grappige beschrijvingen met jullie te delen. In plaats daarvan ga ik uitleggen wat ik geloof, vanuit één enkele stelling. Dit is overigens deel één, de rest komt later nog wel op papier of beeldscherm.

Ik ben geen aanhanger van een van de grote of kleine religies (christendom, islam, hindoeïsme e.d.). Waarom? Omdat mijn geloof daar niet vast genoeg voor is. Een jaar of twee geleden was ik nog heilig overtuigd van reïncarnatie. Ongeveer een jaar geleden keerde dat volledig om en kwam er het idee “je gaat dood en dat is het dan” voor in de plaats. Een aantal maanden heb ik door middel van… - Ja, van wat? Ik denk dat het filosofie genoemd kan worden – een nieuwe theorie bedacht. Die wil ik graag delen, om één enkele reden: ik hoop dat er een discussie ontstaat. Daar ben ik altijd voor te vinden, mits deze een beetje zinnig is.

De stelling waar ik vanuit ga is: Alles wat een organisme (en dus ook een mens) doet, is omdat dat het organisme denkt dat zijn handeling goed voor de soort is.

Deze stelling geldt, zoals je misschien wel eens bij biologie hebt geleerd, voor al het leven op aarde. Van muggen tot hagedissen, van gorilla’s tot giraffes, alle gedragingen zijn slechts bedoeld om de soort te laten voortbestaan. Voorbeelden zat; de theorie is immers universeel. Kijk maar eens om je heen. Een klasgenoot strijkt door zijn haren; hij of zij denkt dat een partner zich vlugger door hem/haar aangetrokken voelt door deze aanpassing. Een partner betekent (uiteindelijk): seks. En seks betekent: nakomelingen – goed voor de soort.

- Ander voorbeeld: een dokter onderzoekt zijn patiënt. Door de patiënt te helpen, leeft deze wellicht wat langer en kunnen er meer nakomelingen verwekt worden. Dit is een handeling die onbaatzuchtig lijkt, maar gemakkelijk te verklaren is. Hij is namelijk goed voor de soort.

- En als laatste voorbeeld: een kleine jongen die zijn hond aait. Een lid van een diersoort (de mens dus ook) houdt alleen van zijn soortgenoten. De hond is hier niets anders dan een “ding” waarop het jongetje menselijkheid projecteert. En aaien is, zowel onder mensen als onder apen (waar wij vanaf stammen), een sociale bezigheid; het toont immers genegenheid, met als gevolg dat je medestanders krijgt die jou in tijden van nood bij kunnen staan. Beter voor jou en dus beter voor je soort.

Natuurlijk bestaan er voorbeelden die hier schijnbaar tegenin gaan. Tot nu toe heb ik echter alles kunnen ontkrachten. Een paar genoemde voorbeelden:

- Zelfmoord is toch slecht voor de soort? Je kunt dan geen nakomelingen meer verwekken. Dat klopt, maar depressiviteit komt er meestal op neer dat mensen denken dat ze niets goeds meer kunnen doen voor de soort. Mijn moeder is psycholoog en heeft ooit eens een patiënt gehad die zichzelf wilde doden. ‘Want’, zo zei ze, ‘iedereen is toch alleen maar blij als ik er niet meer ben’. Oftewel: ik ben een negatieve factor voor het voortbestaan van de mensheid en moet mezelf uitschakelen. Dat gebeurt ook op cellulair niveau. Cellen die besmet dreigen te raken met een virus, plegen graag zelfmoord om de rest geen last te bezorgen (apoptose heet dat). Goed voor de soort, dus.

- Ongeveer hetzelfde geldt voor oorlogen, ook een vaak genoemd tegenargument. Daar gaan mensen toch alleen maar aan dood? Ja, maar soldaten offeren zichzelf op voor de groep. Ze geloven dat als hun familie beschermd wordt, hun (nauw verwante) soortgenoten zich tóch voort kunnen planten. Dat is dus goed vo… nou, je weet het ondertussen wel.

Tot zover deel één van de uitleg van mijn theorie. Ben je het tot nu toe met me eens? Heb ik je overtuigd? Zo nee, waarom dan niet? Kun je een voorbeeld tegen de stelling noemen dat ik niet kan ontkrachten? Ik hoor het graag. Nieuwe inzichten zijn immers smeerolie voor de geest.

Dit artikel delen

Over de auteur