1. Zielig

Zielig

Na een gezellig uur CKV begaf ik me, al neuriënd, de trap van het schoolgebouw op. Het deuntje dat ik zong bleek de dodenmars te zijn (-ik neurie of fluit meestal onbewust en bedenk me pas later welke melodie ik heb geproduceerd), een toeval met toepasselijkheid: ik moest juist naar wiskunde.

Zodra ik mijn voet op de eerste tree wilde zetten, merkte ik plots op dat ik door een drietal jongetjes werd bekeken. Vanuit de hoogte (ik ben zo’n één meter 91) zag ik drie kleine, opgewonden gezichten omhoog staren. Ik kreeg plots het gevoel dat ik was veranderd in een muur waarop deze brugjes zojuist heel groot het woord ‘poep’ hadden geschreven en dat ik nu vol ondeugende trots werd bekeken. Dit hoogst onaangename gevoel tilde mijn wenkbrauwen op, zodoende een vragende gezichtsuitdrukking vormend. De middelste van de drie zag dit en zei, bij wijze van antwoord: “Jij bent best wel zielig, weet je dat?”. Slechts met een door mij tot nu toe nog niet bereikte kunde kan in woorden uitgedrukt worden hoezeer dit mij tegen de borst stuitte. Niet alleen de boodschap zelf, maar vooral hoe deze werd uitgesproken en wie de boodschapper was.

Het ventje stond nu schaapachtig te grijnzen met weerzinwekkend arrogante brutaliteit. Zijn vriendjes keken verwachtingsvol toe, benieuwd hoe ik zou reageren op deze bespottelijke uitbarsting van zelfoverschatting. Helaas voor hen, want in een donker hoekje van mijn geest bestaat een soort uiterst gevoelige receptor die in dergelijke situaties meteen een noodtoestand uitroept in mijn hersenen. De ketels staan dan gelijk op roodgloeiend, de binnenkant van mijn ogen begint te spatten en te vonken, mijn gezicht verstart, mijn vuisten ballen zich en mijn kaken klemmen zich op elkaar met wat de bijtkracht lijkt van de gemiddelde alligator. Een reactie bleef dus even uit.

De snotaap scheen het nodig te vinden om zijn boodschap te herhalen. “Jij bent best wel zielig, weet je dat?” zei hij, deze keer met een voorzichtige klank van triomf – had hij nu al gewonnen? De verleiding om “Nee, dat wist ik niet, maar bedankt voor de informatie” te zeggen en weg te lopen was groot, maar de voorgenoemde processen verhinderden dat. Dus zei ik maar: “O, hoezo?” met een zo’n achteloos mogelijke uitdrukking, hetgeen bemoeilijkt werd door onwillige kaakspieren. Ik bleef strak in de ogen van de lilliputter kijken. Ik had ooit gehoord dat het voor een hond imponerend is als je hem lang aankijkt, en aangezien ik het IQ van de belhamel op hetzelfde niveau schatte als dat van een trouwe viervoeter, was ik bereid het uit te testen. Ik slaagde hier gedeeltelijk in, want het ventje verklaarde zich zo vlug mogelijk nader: “Nou, jij zit in de pauze altijd bij Van Heck. Je moet je eigen vrienden zoeken!”.

Dit heeft even uitleg nodig. Meneer van Heck is een leraar Nederlands in de onderbouw van mijn school en is de beste docent die ik tot nu toe op het middelbaar onderwijs heb gehad. Eén van zijn unieke punten in het lesgeven is dat hij zijn leerlingen stimuleert om ‘stukjes’ te schrijven, teksten over van alles en nog wat. Op die manier begeleidt hij leerlingen in de ontwikkeling van hun schrijfvaardigheden. Een stukje dat hij bijzonder genoeg vindt, wordt voorgelezen in de klas. Zo zijn er al aan bod gekomen over een tandarts, een zelfmoord, een geheime infiltratiemissie en een hekeldicht over Björn Borg-onderbroeken (geschreven door niemand minder dan mijzelf). Het is ook min of meer aan hem te danken dat ik sommigen verblijd (of verveel, dat kan ook) met mijn recensies en weblogs. Zo af en toe houden we inderdaad contact in de pauzes. Hij vertelt me wat er aan de hand is in lerarenland en boekenland, ik vertel hem de actualiteiten in Erik-land en laat hem soms wat van mijn geschreven werk lezen. Ik heb zelfs een aantal stripboeken in ontvangst mogen nemen, zomaar, als cadeau. Zo’n persoonlijke aanpak zou verplicht moeten zijn voor iedere leraar; het werpt zichtbaar zijn vruchten af. Niet voor niets is het grootste deel van mijn klasgenoten er nu, in de vierde, nog steeds van overtuigd dat Van Heck een fantastische leraar is. Het mannetje zal wel nooit les van hem hebben gehad, veronderstelde ik.

“Bedankt voor je medeleven, maar ik heb wel eigen vrienden, hoor. Maak je maar geen zorgen.”, antwoordde ik. Ik ben altijd zo rustig en beleefd mogelijk op dit soort momenten, hoewel ik me al aan het bedenken was welke plekken het gevoeligst zouden zijn om op te slaan. Het innerlijke geweld verschafte genoeg voldoening om het hoofd koel te houden – voorlopig. Ik bleef stoïcijns glimlachen en wachtte rustig af wat het antwoord zou zijn. “Ja, maar je moet je eigen vrienden zoeken!” Hmmm, dacht ik, weinig fantasie, die jongen. Ik maakte hem erop attent dat hij dat net al had gezegd. Ik was midden in een zin waarmee ik uit wilde leggen dat de bezoekjes die ik af en toe aan Van Heck breng erg zeldzaam waren en dat ik 99 van de 100 pauzes gewoon bij vrienden zat, toen het grut me onderbrak. “Ja, maar het irriteert mij dat jij geen eigen vrienden hebt.” Nou werd –ie helemaal mooi! De belachelijke schijnvertoning werd steeds doorzichtiger. Het was inmiddels zonneklaar dat het kleine stuk ongeluk mij willekeurig had uitgekozen om aan zijn idiote vriendjes te laten zien dat hij een conversatie zou kunnen winnen van iemand die twee koppen groter, drie jaar ouder en – ik gooi even alle bescheidenheid overboord – ongeveer vijf keer zo ontwikkeld was. Zijn maatjes schenen dit echter niet door te hebben. Dat verbaasde me niet eens zo, want je moet wel over een intellect beschikken dat vergeleken kan worden met dat van een zwakbegaafde aambei wil je achter een dergelijk opgeblazen kwal aanlopen.

Maar opnieuw hield ik het hoofd koel. Ik bleef in mijn rol als de perfecte gentleman vervullen. Ik vroeg met pijnlijk gespeelde interesse: “Zeg, mag ik jou wat vragen?” (Normaal gesproken mijd ik deze beleefdheidsvorm zoveel mogelijk, omdat die een domme paradox behelst). De vraag die ik daarna had willen stellen was: “Wat wil je in vredesnaam met dit gesprek bereiken, vervelende, kleine, patserige, achterlijke hoerenzoon?”. Wat ik waarschijnlijk zou hebben gevraagd was: “Wat wil je met dit gesprek bereiken?”. Maar ik werd op grove wijze afgekapt. “Nee, dat mag jij niet”, krijste het zakkenwassertje, in de overtuiging dat ik met mijn mond vol tanden zou staan. Hij had het mis; ik was alleen maar blij dat het gesprek (als je het zo kunt noemen) hiermee was afgelopen. Ik knikte naar hem en zei: “Is ook goed. Dan blijf je maar een klein, onwetend ventje, als je dat zo leuk vindt”. Daar had de luchtkastelenbouwer niets tegenin te brengen. “Nou…”, stamelde hij nog, “liever klein en onwetend dan… eh…” – zijn vocabulaire was blijkbaar niet zo uitgebreid – “…dan groot en dom en eh… lelijk!”. Ik zuchtte en werd nog eens gesterkt in mijn veronderstelling dat het ventje nogal fantasieloos was. Zijn aambeivriendjes schenen dat echter wel leuk te vinden, want ze gilden het uit als twee achtjarige meisjes die Winx aan het kijken zijn. Gelukkig werd ik door een massa mensen die de trap op wilden, gescheiden van deze peuters. Ik liep ook maar door totdat er, behalve een wereld, ook nog drie trappen verschil waren tussen mij en het diep-, dieptrieste patsertje.

Dit artikel delen

Over de auteur