1. Mis

Mis

Er zijn twee goede dingen die de kerk ons heeft bezorgd: mooie gebouwen en een band tussen (gelovige) medemensen. Verder dan deze veronderstelling gaat mijn liefde voor het christendom niet. Ik ben gedoopt, maar niet christelijk opgevoed; mijn ouders geloven net zo min in God als ik. Toen mijn moeder laatst voorstelde om de ochtendmis van de Sint Jan in ’s-Hertogenbosch bij te wonen tijdens Hemelvaart, reageerde ik dan ook verbaasd. Deze verbazing sloeg om in regelrechte afschuw toen ze haar plannen uitgebreider uit de doeken deed. “Naar de ochtendmis, ja. Die begint om zeven uur” – ik keek haar verbijsterd aan – “en duurt een uur of anderhalf. We zullen dus vroeg op moeten staan.” “Ja, zeker om kwart over zes als je op tijd daar wilt zijn,” antwoordde ik boos – daar ging mijn uitslaapdag. “Kwart over zes? Véél eerder!” was het schokkende antwoord. “Half vijf, uiterlijk! We gaan met de benenwagen.”

Zie daar een inleiding die het boek “Hoe verziek ik mijn ochtend in vijf simpele stappen” niet zou misstaan. Het vooruitzicht om vijftien kilometer naar Den Bosch te lopen, anderhalf uur naar een murmelende priester in een wit gordijn te luisteren en vervolgens terug naar huis te strompelen stemde mij de avond vóór dat alles diepongelukkig. Maar mijn moeder was met verlichting van de pijn gekomen: we zouden de eerste en de laatste zeven kilometer fietsen. Mijn oom zou zich daarna bij ons voegen en de toch nog zestien kilometer lange tocht meewandelen. Dat was enigszins een meevaller, want mijn oom Hans is een man met humor en dat zou ik zeker nodig hebben om de stemming om vijf uur ’s ochtends op pijl te houden.

De volgende ochtend kwam ik erachter dat dat moeilijk zou worden, aangezien al mijn enthousiasme bij het eerste geluid van mijn wekker met de noorderzon vertrok. Een gehaast ontbijt en gestuntel met de door mijn ouders nauwelijks gebruikte fietsen verminderden mijn geestdrift tot in het uiterste. Maar we waren nog niet klaar – nee, nee – de hond moest ook nog mee. Daartoe bevestigde mijn vader een klein, tweewielig karretje aan een uiterst gammel verbindingsstuk dat zijn fiets sierde. De hond moest erin komen zitten en werd, om te voorkomen dat hij in volle vaart uit de kar zou springen en tegen een fout geparkeerde boom aan zou knallen, met verschillende riemen stevig vastgesnoerd. Toen we eindelijk vertrokken zag ik het arme beest constant om zich heen kijken, zo te zien doodsbang en onaangenaam belemmerd door alle ‘veiligheidsmaatregelen’. “Kijk hem toch eens kijken naar het mooie uitzicht!” riep mijn moeder, “Wat geniet hij er toch van, hè?” Omdat het ontkennen van deze veronderstelling waarschijnlijk bestempeld zou worden als brutaal en zou worden afgedaan met het vermoeden dat ik ‘deze leuke ochtend alleen maar wilde verzieken’, hield ik mijn mond en fietste ik door.

Het fietsende deel van de tocht werd afgesloten in de garage van mijn oom. De hond werd er vastgebonden, de fietsen werden er neergezet en wandelschoenen werden aangetrokken. Met het dichtdoen van de garage was het startschot gegeven: we begonnen met lopen. Het gesprek ging voornamelijk over koetjes, kalfjes en familiezaken – niet de meest interessante materie, maar ik bleef er ietsje wakkerder door. Mijn net niet/wel te kleine schoeisel was veel zwaarder dan de schoenen die ik normaal gesproken draag, met als gevolg dan ik me als een onbehouwen boer voortbewoog. Maar dat maakte niet zoveel uit; ik vond het al heel wat dat ik überhaupt in staat was om te bewegen. Naarmate de tocht vorderde, kreeg ik echter steeds meer het verlangen om in een rolstoel te zitten.

Omdat er geen verkeer was, liepen we midden op de straat. Dat werd door mijn ouders als heel bijzonder beschouwd, maar ik beleefde er weinig spanning aan. Je zag precies dezelfde dingen als op het fiets- of wandelpad, met slechts een meter of drie verschil. Het grootste deel van de tocht kwam zelfs overeen met de route die ik tweemaal daags van of naar school fiets, dus er was voor mij weinig nieuws onder de inmiddels bijna zichtbare zon. Het enige merkbare verschil was niet zichtbaar, maar hoorbaar. Talloze vogels, die zich verborgen hielden in het gebladerte, produceerden een herrie van jewelste. “Moet je al die vogels horen! Het lijkt wel een concert!” riep mijn moeder verheugd. Van de Jostiband, zeker, dacht ik, terwijl ik me zoveel mogelijk af probeerde te sluiten van het buitengewoon schelle gepiep.

Ik begon al bijna tot God te bidden dat de banken in de kerk lekker zouden zitten en dat de ochtendmis mijn oren wat rust zouden gunnen, toen we eindelijk arriveerden bij de Sint Jan. Om precies te zijn om klokslag zeven uur, dus we werden door het heilige huis Gods onthaald met een hels kabaal. We vluchtten de kerk binnen en ploften op de dichtstbijzijnde kerkbank neer. Het probleem met dat soort banken is echter dat ze zo oncomfortabel mogelijk gemaakt zijn, met als doel de bezitter wakker te houden tijdens een dienst. Toen de mis begon, begreep ik dat dat geen overbodige luxe was (letterlijk en figuurlijk), want ik heb zelden een saaiere toespraak gehoord. Zoals ik had verwacht, schuifelde een groepje bejaarden naar voren, gekleed in de laatste mode uit 1431. Wat volgde was een anderhalf uur durend gemompel over Jezus & co., waarin vooral om vergeving van alle zonden werd gevraagd. Eén van de laatste praatjes betrof Maria en of wij mèt haar moesten bidden of haar voor ons moesten láten bidden. Ik was ondertussen steeds chagrijniger geworden en dacht: als die goddelijke teef dat voor mij wil doen, dan houd ik haar niet tegen – een achteraf gezien een behoorlijk respectloze gedachte, maar wat wil je?

Als afsluiter kon iedereen een stukje brood komen halen. Twee bejaarden verlieten hun plaats achter het altaar en kwamen met een schaal minibeschuitjes in het gangpad staan. Vrijwel iedereen had blijkbaar honger, want er werd haastig naar de schotel gelopen. “Lichaam van Christussssj,” herhaalde de voorste man murmelend terwijl hij het brood uitdeelde. “Lichaam van Christussssj… Lichaam van Christussssj…” Vreemd genoeg vond idee van een godenlijf dat door simpele stervelingen gegeten werd, wel iets hebben. Toch had ik liever het goddelijke lichaam van Megan Fox in ontvangst genomen – niet om te eten, uiteraard.

Het verlossende woord waar ik zo lang op had gewacht, hielp me uit de droom. “Erik, we gaan!” werd er in mijn linkeroor gefluisterd. In verdwaasde toestand strompelde ik de kerkbank uit. En ik riep nèt iets te hard: “Jottum!”

Dit artikel delen

Over de auteur