1. Jef (1)

Jef (1)

Ik wandel langzaam terug van een drinkgelag. Het regent niet, maar de bomen hebben speciaal voor mij wat druppels bewaard. Het woei, het waaide. 'Hah, de zin van het leven' denk ik. 'Die is middernachtelijk altijd een stuk makkelijker te duiden.' Ik verwissel een standbeeld voor een urinoir. 'De lantaarnpalen hier zijn prachtig. Klassiek, standvastig. Onnodig verfraaid. Maar dat is juist een noodzakelijkheid. Vervelende mooidoenerij, die tegenstellingen na elkaar opschrijven.'

Langs mij heen fietst een gelukkig stelletje. Hij achterop, vreemd genoeg. Ik moet daar om grinniken. Ik heb ook wel eens bij een vriendinnetje achterop gezeten. Dat was nadat ik moest kotsen. Ik wilde haar de berg op fietsen, maar dat was nogal een aanslag op mijn fysieke gesteldheid. Eenmaal boven (ok, bíjna boven) hield ik het niet meer. Er groeien voortaan mooie viooltjes in die tuin. Althans, dat schrijf ik dan op, maar die tuin heb ik nooit meer gezien. Haar ook niet, bedenk ik me net.

Het stelletje verdwijnt lachend. Ze fietsen sneller dan de cliché's die ze achtervolgen. Die ontsnapping is voor mij niet mogelijk. Verrassend druk is het trouwens op de Maliesingel vannacht. Wat Fransneuzen spreken me aan. Mijn hartsie verheugt zich, al té lang heb ik geen Frans gesproken, en komende woensdag vertrek ik ook nog eens naar Parijs. Een buitenkansje dus, om mijn Frans wat op te halen. Na een dronken 'S-salut' schakelen ze echter helaas over op Engels. 'Vere ies thu Dom?'. Heel langzaam hef ik mijn arm omhoog en wijs ik naar de gigantische, verlichte toren achter hen. Ze barsten uit in gelach. Proestend, moet ik zeggen, omdat een van hen nét een slok wijn nam die nu in kleine druppeltjes over mij verspreid wordt. Helaas zijn het allemaal mannen. In mijn hoofd vormde zich namelijk plots een beeld van een lieflijke Fransoze die, wijl hese 'excuses-moi's' uitend, met een zakdoek die nog van haar oma was, de wijn van mijn kruis probeert te deppen. Oeh-lala, enzovoorts.

Maar goed, het zijn allemaal mannen. Een van hen ging trouwen, en daarom waren ze in Utrecht. Vrijgezellenfeestjes zijn in principe altijd strontvervelend voor de buitenwereld. Dikke bruiden die quasi-carnavalesk in aftandse, veel te korte outfits, veel te luid lachend hun ondergang tegemoet gaan. Gelukkig waren Jef (die ging trouwen) en zijn vrienden anders. 'Kom Jef, we moeten gaan. We nemen de trein naar waar de vrouwen anders zijn.' Op de rugzakken vol rosé na, stelden zij zich bescheiden op. Het was een groepje van 6 mannen. Ik heb alleen Jef's naam onthouden, maar de gezichten van de rest staan me nog duidelijk bij. Een van de anderen heet misschien Gaston. Iedereen leek zijn zinnen echter te beginnen met 'Mon ami', dus zeker weet ik het niet.

Ik leid hen naar de aanlegsteiger tegenover mijn huis. Die bestaat simpelweg uit wat houten planken, maar dat is goed genoeg. We ontkurken nog een fles. Ik weet niet waarom, maar ik ben ineens deel van de groep. Ze blijven Engels praten, met Franse zinnen er doorheen verspreidt. 'C'est le ton qui fait la musique', werp ik terloops op. Ik wacht al vier jaar om die zin eens casual te gebruiken, maar dat geduld wordt nu eindelijk beloond. Enthousiast word ik op mijn schouders geklopt. 'True, true, true' zegt Jef. Hij voert het hoogste woord. Hij probeert te verantwoorden waarom hij gaat trouwen. 'L'amour' zegt hij. En dat blijft hij herhalen. 'Die verdomde liefde', denk ik. En de rest van groep denkt hetzelfde. 'Je raakt haar kwijt'. Iedereen lacht, niet eens al te bitter.

Dit artikel delen

Over de auteur