1. Verleden Part 2

Verleden Part 2

Ladies and Gentlemen, it's again a pleasure for me to introduce you the second part of the story!

Opeens wist ik wat mij te doen stond. Ik rende naar de deur van het boerderijtje toe, die net werd dicht gedaan door de uitvinder. Toen ik eenmaal bij de deur aangekomen was bonsde ik met mijn vuist erop. Zo’n twee seconden later werd de deur geopend door de uitvinder zelf, die verbaasd keek naar mijn pyjama. In het Frans begon hij rad tegen mij te praten, maar ik vroeg hem in mijn schoolfrans of hij ook Engels sprak. Hij zei “Yes, I do”, en ondanks de taalverschillen die in 250 jaar in een taal sluipen, kon ik zijn Engels best nog wel volgen. Hij vroeg mij wie ik was, en waarom ik midden in de nacht met mijn nachtkleren aan, op zijn deur bonsde. Ik zei vervolgens tegen hem dat ik een paar vragen had over de grote uitvinding waar hij mee bezig was. Hij keek verbaasd en vroeg hoe ik wist waar hij mee bezig was. Ik had geen zin om dat allemaal uit te leggen, en mijn moed bij elkaar rapend haalde ik langzaam de revolver uit mijn zak. Hij schrok, toen hij het wapen zag, en ik zag de angst in zijn gezicht.

Kalm beval ik hem om achteruit te stappen, en toen hij dat deed stapte ik het huis binnen, en deed de deur dicht, om vroege voorbijgangers niet te laten zien wat zich hier allemaal afspeelde. Ik keek rondom mij heen,en zag een ietwat armoedige inrichting. Een houten tafel, met een aantal versleten stoelen eromheen, wat waarschijnlijk een eettafel moest voorstellen. Een bank met een rode bekleding van een stof die ik niet zo gauw kon thuisbrengen, en een hond. Het was gelukkig geen grote hond, en zo te zien ook geen jonge, want hij keek nauwelijks om toen ik het huis binnenstapte met mijn wapen in de hand. Ik liet de hond maar voor wat het was, en concentreerde me weer op de uitvinder. Ik beval hem om een stoel van de eettafel te pakken,en erop te gaan zitten. Vervolgens vertelde ik hem één of ander onzinverhaal, over een geheime sekte uit Parijs, die op het spoor was gekomen van deze uitvinder die blijkbaar met een duivelse uitvinding bezig was. Hij was blijkbaar nog steeds stom geslagen van het wapen wat ik nog steeds dreigend in mijn handen hield, gekomen om hem ook te vernietigen, dat besloot ik namelijk maar niet te doen aangezien ik nog zijn medewerking nodig had bij het verkrijgen van de bouwtekeningen van de auto. Zijn stomheid was blijkbaar over, want met een zielig hoog stemmetje vroeg hij mij of ik hem zou vermoorden.

Ik besloot hem gerust te stellen, en zei dat het mij alleen te doen was om de uitvinding zelf. Blijkbaar geloofde hij mij, want hij zei dat hij mij er naar toe zou brengen. Gezamenlijk liepen we vervolgens het huis uit, richting het schuurtje. Onderweg naar het schuurtje vertelde ik hem dat ik ook zijn tekeningen wilde hebben. Hij vond het blijkbaar best, zolang ik hem maar niet verwondde.

Ik stapte het schuurtje binnen, nadat hij de deur had open gedaan met een roestige sleutel, en zag daar de uitvinding staan. Het stelde eigenlijk niet heel erg veel voor. Het was een rechthoekige constructie met vier wielen eraan, en een soort grote soeppan die erachter hing. Ook stond er in het midden van die constructie een klein stoeltje. Ik wilde eerste de tekeningen hebben, die pakte hij dus van een tafel. Ik pakte de tekeningen van hem over en verscheurde ze met mijn handen, stampte erop, en pakte vervolgens een aansteker uit mijn zak, waarnaar ik de snippers ervan in brand liet vliegen. Ik zag de uitvinder met lede ogen naar het brandende hoopje snippers kijken. Ik lachte erom en vroeg vervolgens aan hem of hij misschien wat brandhout hier in het schuurtje liggen had. Hij knikte gedwee, en wees met trillende vinger naar een stapeltje vermolmd brandhout, in de hoek achter de werkbank.

Ik liep naar het stapeltje brandhout toe en greep met mijn hand ernaar. Ik voelde echter iets, wat ik niet meteen thuis kon brengen. Ik trok mijn hand terug uit de duisternis, en zag een vieze, gore spin over mijn hand lopen. Ik gaf een kreet, en schudde woest met mijn hand. Ik was namelijk bang voor spinnen en insecten. Gelukkig viel de spin bij de eerste bewegingen van mijn hand er al vanaf, en toen hij op de grond viel, trachtte hij nog weg te komen onder de werkbank, hij rook het gevaar schijnbaar, want ik trapte woest met mijn blote voet richting de spin. Ik miste hem echter, misschien moest ik daar ook wel blij mee zijn, want de resten van een dode spin op mijn voet leek mij nou ook geen lekker idee. Ik zei vervolgens tegen de uitvinder dat hij aan de kant moest gaan van de auto, of hoe je ook wilde noemen, en pakte vervolgens 2 blokjes brandhout en legde ze naast één van de twee grote wielen. Vervolgens stak ik het brandhout aan met mijn aansteker, en vol vreugde keek ik naar de vlammen die van het brandhout oversprong naar het wiel, waarnaar het in sneltreinvaart over de rest van de uitvinding heen raasde. De rest van het stapeltje brandhout stak ik ook aan, zodat de schuur ook in brand ging. Vervolgens pakte ik mijn pistool, en richtte hem richting de uitvinder. Ik zag hem verschrikken van angst, maar toen ik de trekker overhaalde, maakte de angstige blik plaats voor een lege, dode blik. Ik glimlachte vergenoegd en pakte een klein doosje, de grootte van een twee-euromunt, en drukte zachtjes op het knopje wat er op bevestigd was. Dit knopje zorgde ervoor dat ik weer terug werd geteleporteerd naar de ruimte waarin ik mij bevond voor dat ik hier naartoe was geteleporteerd.

In een laatste oogopslag zag ik het rode vocht langzaam uit het gat, wat ontstaan was door de kogel, sijpelen. Wederom zag ik weer verscheidene historische gebeurtenissen voorbij flitsen, en plots stond ik weer voor de machine. Nee, zo bedacht ik mezelf, het was niet de machine. Ik keek om me heen en merkte dat de inrichting van de kamer heel anders was. Ik liep naar de deur, stapte naar buiten, zag een auto op het garagepad staan, en terwijl ik vol verbazing toekeek, voelde ik mij plotseling leeg. Het werd zwart voor mijn ogen.

Toen mijn ogen weer het licht aanschouwden zat ik in een klinisch bed. Na navraag kwam ik erachter dat ik bewusteloos op dat garagepad gevonden ben, en op de vraag wat ik daar deed, zei ik maar dat ik me plotseling niet lekker voelde, en naar het dichtstbijzijnde huis strompelde, waarnaar ik dus blijkbaar flauw viel. In de dagen daarnaar kwam ik erachter dat er een andere uitvinder was geweest die de auto uitvond, en dat mijn daad dus van geen betekenis was. Ook kwam ik erachter dat ik eigenlijk niet zou moeten bestaan, omdat mijn grootvader op jonge leeftijd om was gekomen in een auto ongeluk. Mijn oom was hierdoor ook niet geboren, en ik stond dus als wees op straat. Ik had mijn les wel geleerd, probeer maar niet het verleden te wijzigen, want dat kan je niet tegenhouden.

Bedankt voor uw aandacht!

Dit artikel delen

Over de auteur