1. Langs de A1

Langs de A1

De zweetdruppel vervolgde zijn weg die begonnen was bij het haar en eindigen zal op de grond. Terwijl hij via het voorhoofd over de wang liep en door de vorm van zijn kaak perfect uitkwam op de kin, nam hij een klein slokje het het glas cola dat hij stevig vasthield in zijn handen. Hij bedacht zich dat dit al de zesde keer is in twee weken tijd dat hij dezelfde route had afgelegd. Niet dat hij dit erg vond hoor, hij vind het een heerlijke route om te lopen. Variërende van landweggetjes tot de weg die onder het viaduct doorging. 'Gaan we vanavond nog bij mekaar zitten met zijn allen', vervolgde Jop. Nee. Dat gingen ze niet. Frank bedacht zich dat hij vanavond een verjaardag had, zijn jongere broertje was om een-over-twaalf dertien geworden. 'Andere keer, verjaardag'.

Frank zit achter de computer en kijkt uit het raam. De verjaardag was voorbij, de lege glazen in de wasmachine gepakt door zijn moeder. De verjaardag was niet heel leuk geweest. De mensen staarden een beetje voor zich uit, af en toe een slokje nemend. Dan ging de telefoon weer. De telefoon die al minstens dertig keer eerder afgegaan was. Het kille geluid dat de telefoon produceerde ten teken dat er nieuws was, vulde de kamer. Nadat moeder de telefoon voor de zoveelste keer had neergelegd en er een zucht ging door de kamer, wist iedereen dat het de goede kant opging. Frank wist dat er weer enkele simpele opmerkingen gemaakt gingen worden en hij wist ook dat hij hier geen trek in had. Hij had het niet zo op met verjaardagen, met familieleden die in een kringetje zitten om over koetjes en kalfjes te praten. Meestal staarde hij maar wat voor zich uit naar de tafel bepakt met allerlei lekkernijen ter ere van de jarige, om af en toe instemmend te knikken als een tante vroeg of zijn nieuwe bijbaantje hem beviel. Vader zou met een uurtje thuis zijn, zo vertelde moeder enigszins opgevrolijkt door dit goede nieuws.

Eerder op de dag, terwijl Frank aan het hardlopen was, had zijn oom ergens langs de A1 gestaan. Auto langs de weg, lichten die aan het knipperen waren, een laatste wanhoopsdaad. Pure doodsangst. Toen het hem overviel en hij met moeite de rem intrapte en de auto scheef parkeerde in de berm, had hij als eerste zijn broer opgebeld. Veel meer dan 'Help' was er niet uit zijn mond gekomen, zo kreeg Frank van zijn broer te horen toen hij thuis was gekomen. Hij wou vragen wat er aan de hand was maar hij kreeg er niet de kans voor. Iedereen in het huis was druk aan het telefoneren. Aan het telefoneren met iemand aan de andere kant van de lijn. Iemand die dit soort gebeurtenissen vaker meemaakt, meestal meerdere keren per uur. Zo vertelde zijn broer tenminste, vlak voordat hij het '1 1 2' weer ingedrukt had. 'En nu is het genoeg, stuur verdomme een ambulance erheen! Nee, het interesseert me niet dat je eist dat de hulpbehoevende zelf belt, wie weet wat hij heeft, idioot!' Zo had hij zijn doorgaans vrij kalme broer nog nooit horen praten.

Zijn vader kwam thuis en vertelde Frank dat het goed ging met zijn oom. De doktoren wisten niet wat hij precies onder de leden had, de CT-scan kon ook geen antwoord bieden. 'Het gaat nu goed met hem'. Dat is alles wat je daadwerkelijk op zo'n moment wil weten. Hopelijk blijft het zo.

Dit artikel delen

Over de auteur