1. De jongen en de man

De jongen en de man

De jongen is klein.

De man bouwt een stad.

De jongen kijkt op naar de man.

De man kijkt neer op de jongen.

De man koopt een huis.

De jongen woont in het huis.

De man kijkt uit voor de jongen.

De jongen kijkt uit voor de man.

Ze zijn niks zonder elkaar.

Man en jongen.

Verenigd in een persoon.

Samen in een huis.

De man zit op de bank.

De jongen ligt in bed.

De man vertelt een verhaal.

De jongen luistert.

De man is laat.

De jongen is vroeg.

De man let op de tijd.

De jongen laat de tijd aan zich voorbijgaan.

De man nadert het einde.

De jongen verlaat het begin.

De man wil jongen zijn.

De jongen wil man zijn.

Samen in een persoon.

Dit artikel delen

Over de auteur