1. Huh?

Huh?

Let op! Tijdens het lezen van dit verhaal zul je waarschijnlijk raar opkijken. Dat komt omdat dit een droom is en niet serieus genomen moet worden. Ik hoop dat het toch interessant genoeg is, zodat je het einde haalt.

Ik zit op een paard. Het beest galoppeert en ik buig voorover alsof ik een race moet winnen. Het geluid van hoeven klinkt steeds drie keer kort achter elkaar. De bladeren op de bosgrond dempen het geluid. Ik merk dus ook pas laat dat er een tweede paard linksachter me rent. Zodra het naast me is, zie ik de berijder. Hij heeft een kleine baard, lang, roodbruin haar en middeleeuwse kledij. Aan zijn heup bungelt een trompet. Ik kijk naar hem, maar hij niet naar mij; hij heeft het te druk met het ontwijken van alle bomen. Ken ik hem niet ergens van? Verrek! Het blijkt Boromir te zijn. Op het moment dat ik dit bemerk, komen er tientallen andere ruiters links van hem tevoorschijn. Ik herken een aantal van mijn klasgenoten. Kunnen die wel paardrijden. Nu ik erover nadenk… dat kan ik zelf niet eens. Maakt niet uit, niets van aantrekken en doorrijden, dat lijkt me het beste.

Plotseling schalt de hoorn van Boromir door het bos. Ik begrijp dat iedereen moet verzamelen. De open plek die voor me verschijnt is daar vast geschikt voor. Alle ruiters – inclusief ikzelf – stappen af en gaan op een rij staan. Boromir geeft een toespraak om ons mentaal voor te bereiden op de strijd die komen gaat. “Tegen wie precies?” vraagt iemand. Tegen uruk-hai (hoe kan het ook anders)! Zodra Boromir klaar is met spreken, loopt hij achter me langs het beeld uit. Huiverig vraag ik me af hoe we die monsters in vredesnaam moeten verslaan zonder zwaarden of enig ander oorlogstuig. De rest van de groep maakt zich daar echter niet druk om en al gauw begrijp ik waarom: de uruk-hai zijn eigenlijk dikke negers met knalgele Spongebob-shirtjes aan. Geen wonder dat die uitgeroeid moeten worden, denk ik. Samen met een klasgenoot grijp ik één van de dikste esemplaren bij zijn haren om hem vervolgens met een doffe klap op de grond te werken. Ik zie dat alle andere vetzakken ook verslagen zijn. Mooi zo, gaat het door me heen, weer iets nuttigs gedaan vandaag.

Maar de rust is niet van lange duur; er komt een gouden koets uit de lucht vallen. De deur gaat open en ik word uitgenodigd om te komen zitten. Nadat ik me op een rood bankje heb laten vallen, bekijk ik de aardige man die me binnen heeft gevraagd. Ik heb hem ooit eens eerder gezien, maar waar? Terwijl hij bezig is met het dichtdoen van de deur, begint me iets te dagen. Natuurlijk, het is prins Bernhard! Ik herkende hem niet zonder zijn eeuwige pijp. Zonder enig spoor van een Duits accent vertelt hij me dat hij een opdracht voor me heeft. Of ik de gouden snaai even wil vangen, want die sufferd van een Harry Potter heeft ‘m meer eens kwijt gemaakt. Natuurlijk wil ik dat wel. “Dan moeten we wel even een stukje reizen”, laat de prins weten. Dat vind ik niet erg, - je moet wat over hebben voor een dood lid van de Koninklijke familie -, dus we vertrekken.

Hoewel er geen paarden voor de koets gespannen staan, voel ik dat we in beweging komen. Pas na een paar minuten kom ik tot de ontdekking dat de koets zich in de lucht voortbeweegt. Het landschap verandert langzaam van bos in bergachtig en besneeuwd. Al het wit is bijna verblindend. Gelukkig zie ik de gouden snaai nog wel vliegen. Hij hangt stil onder een grote brug tussen twee bergtoppen. De koets stuurt automatisch naar mijn doelwist, maar denkt blijkbaar niet aan stoppen. Verdorie, die snaai móét ik hebben, denk ik. Binnen een fractie van een seconde neem ik een besluit. Terwijl de koets in volle vaart onder de brug door sjeest, spring ik met ware doodsverachting uit het raam. Al buitelend voel ik het gouden bolletje in mijn hand vallen. Voldaan plof ik in de dikke laag sneeuw. De metershoge val heeft me niets aan verwondingen opgeleverd, dus ik zwaai vreugdevol naar prins Bernhard. Die keert om, drukt op een knop onder de bank en steekt zijn arm uit het raampje waar ik zojuist doorheen ben gesprongen. Hij slingert me op de bank en bedankt me hartelijk voor mijn moeite. Kort daarna wordt het effect van de knop merkbaar; de gouden wielen van de koets laten opeens een spoor van groene en rode sterren achter en de snelheid schiet omhoog. Het duurt dan ook niet lang of ik sta weer op de open plek, waar alleen de gele Spongebob-shirtjes nog liggen als aandenken aan de veldslag. Ik stap uit en buig voor Bernard, die ondertussen een sigaar op aan het steken is. Dan blijf ik nog even zitten om naar de snaai te kijken.

Even later word ik wakker.

Dit artikel delen

Over de auteur