1. Het inluiden van de vakantie

Het inluiden van de vakantie

Ook in het zuiden van het land is het inmiddels een paar weken vakantie en dat moest gevierd worden. Vandaar dat ik een tijdje geleden samen met wat vrienden de Drie Gezusters in ’s-Hertogenbosch binnenstapte om een periode van luiheid en reizen in te luiden. Het thema van dit feest was Havana, met als dresscode: Cuba. Dat betekende dat zo’n 10% van de mensen een Che Guevara-shirt zou dragen, 20% een sigaar mee zou nemen en de overige 70% niets Cubaans aan zou doen. Ik wilde tot geen van deze groepen behoren – ik ben nu eenmaal graag speciaal – en daarom had ik met een donkere lap stof en een goedkope, kunststof hoed een typisch Cubaanse hoofddeksel in elkaar geknutseld. Maar toen ik zag dat ik meer op Michael Jackson leek dan op een Cubaan, liet ik mijn drang naar abnormaliteit varen en stopte ik een sigaar in de band van mijn hoed. Ik was volledig uitgerust door het afhakken van verschillende virtuele hoofden en ik had voor de gelegenheid mijn kam nog eens extra door mijn haar gehaald. Kortom: ik was er helemaal klaar voor.

Toen ik echter een minuut of vijf in de Drie Gezusters had gestaan, sijpelde mijn goede zin uit me als honing uit een gebroken pot. Het feest had namelijk allerlei elementen die erop wezen dat de avond erg vermoeiend en onaangenaam zou zijn: er was een schreeuwende, overenthousiaste dj, de vloer plakte na een uur al van de cola en de Flügel, de bar was gedecoreerd in après-skistijl, overal draaiden onregelmatig knipperende lichten, de temperatuur steeg net zo snel al de hoeveelheid geconsumeerde alcohol en het zuurstofgehalte daalde net zo snel als het aantal gezonde gehoorcellen. De muziek stond namelijk oorverdovend hard. Zó hard zelfs, dat er meer gesproken kan worden over een muur van geluid. Bovendien waren de talloze boxen óveral in de zaal opgehangen, zodat de feestganger zelfs in het meest afgelegen, beschutte plekje de schadelijk harde klanken van Pitbull en soortgenoten op zich kreeg afgevuurd.

Ik had echter besloten er maar het beste van te maken (zonder deze instelling wordt het leven immers een deprimerende aaneenschakeling van onoverkoombare obstakels). Onder hevig protest van mijn gekwelde trommelvliezen voegde ik me bij mijn vrienden, die inmiddels in een kri8ng voor de bar stonden. Er werd een tijdje bescheiden heen en weer gedeind op de muziek (wat evengoed had kunnen zijn vanwege de kracht waarmee de geluidsgolven tegen alle lijven aanbeukten). Op een gegeven moment kreeg ik dorst. Niet zo verwonderlijk, aangezien ik op een zomerse avond in een ruimte stond waar honderden opeengepakte mensen energiek stonden te dansen. Toen ik dit mee probeerde te delen aan mijn vrienden, stuitte ik alweer op één van de gevolgen van de muziek. Zodra ik op luide toon had verkondigd dat ik even wegging, merkte ik namelijk dat mijn zojuist geproduceerde klanken al meteen opgeslokt werden in de lawaaiige brij van tonen. Niemand keek om – blijkbaar werd gedacht dat ik mee lalde, of dat ik mijn mond open had gedaan om er vliegen in te vangen –, dus ik probeerde het opnieuw, ditmaal luider en met mijn handen aan mijn mond. Nu reageerde er wel iemand, maar helaas door te gebaren dat hij (Pieter) het niet had verstaan. Ik bracht mijn mond zo dicht mogelijk bij zijn oor, waarbij ik probeerde niet al te veel intiem fysiek contact te bedrijven. De enige respons op mijn derde schreeuw was echter nog steeds een niet-begrijpend gebaar met een “WÀÀÀÀT?” erachteraan. Door middel van een stembandverscheurende gil wist ik Pieter aan zijn verstand te peuteren dat ik me elders zou begeven. De cola die ik van plan wat te drinken, was nu dus niet meer alleen noodzakelijk om mijn dorst te lessen, maar ook om mijn schorre keel te smeren.

Nadat ik met veel moeite (lees: geschreeuw) iets te drinken had bemachtigd, nam ik even de tijd om de situatie in me op te nemen. Ik zag de honderden lijven, het rijkelijk vloeiende bier, de avances die hier en daar werden gemaakt en beantwoord en de dj die in een kamertje aan zijn geluidstafel zat, als een piloot in zijn cockpit. Ik voelde de hitte van alle uitzinnige feestgangers en de trilling van het ritmische gestamp op de vloer. Ik hoorde… niet zo veel meer. Mijn trommelvliezen hadden de strijd opgegeven en gaven alle impulsen nu nog maar slapjes door aan mijn hersenen, die er slechts gedeeltelijk in slaagde om alle prikkels om te zetten in een duidelijk geheel. Ik hoorde dus een waas van klanken. Dat klinkt vaag, maar hopelijk verduidelijkt de volgende vergelijking deze zin: zoals bruingrijs gemaakt wordt door alle kleuren bijeen te gooien, werden alle geluiden en tonen in de zaal tot een grijze prut.

Ik denk dat mijn punt intussen gemaakt is. Daarom richt ik me tot u, lezer. Ik vraag u, als u dj bent, de volumeknop bij het volgende feest omlaag te draaien. Als u in een feestcommissie zit, vraag ik u dit onderwerp op de agenda te zetten. Als u werkzaam bent in een overheidsorgaan, vraag ik u om voor regels te zorgen betreffende muziek op (school)feesten. Als u zich echter, net als ik, in een positie bevindt met geringe macht, dan vraag ik u om u aan mijn zijde te scharen en iedere dj, ieder commissielid en iedere ambtenaar tot actie op te roepen. Ik hoop dat u het met me eens bent dat extra harde muziek helemaal geen extra lol oplevert. Integendeel: een teveel aan decibellen is schadelijk voor de oren en dodelijk voor de feestvreugde. En waarvoor kom je anders naar een feest?

Dit artikel delen

Over de auteur