1. Een Plek Voor Gedachten

Een Plek Voor Gedachten

Het raam staat halfopen. Er komt een beetje frisse wind naar binnen, wat wel fijn is zo laat op de avond. Het is donker buiten, de lucht is zwart en er loopt een kat over straat, af en toe snuffelend aan de struiken die langs de weg staan. Dat zie ik terwijl ik uit het raam hang, mijn zolderraam. De kat gaat zitten, perfect in mijn zichtveld, aan de andere kant van de heg die schuin langs de tuin loopt. Hij begint zijn voetjes te likken, kijkt even op en loopt vervolgens weer verder. Alleen, de brede stoep met zijn hoge lantaarnpalen inspecterend. Hij heeft niet door dat ik half uit mijn raam hang.

Ik hang daar een beetje. Armen over elkaar heen gekruist, hoofd rustend op de armen. Starend naar de weg, wetend dat niemand mij kan zien. Er loopt ook niemand meer, de kat was mijn enige gezelschap deze nacht. De woonwijk is rustig, de andere achtertuinen zijn verlaten. Er branden nog wel wat lichten, tuinlampjes die naast vijvertjes staan of boompjes belichten. Er is geen geluid. Ik dut wat in op het ritme van het briesje, ik zie mijn gordijntjes langzaam voor mijn ogen zakken. Staand slapen is echter geen goed idee, bedenk ik mij ietwat traag. Ik sla mijn ogen snel weer open, willekeurig mijn blik ergens op richtend.

De sterren staan hoog aan de hemel. Lichtjaren van mijn zolderraampje verwijdert, zo schatten de verschillende wetenschappers. De wetenschappers zoeken naar het onbekende, in dit geval sterren op een afstand die niet te overbruggen is. Is er een grens? Het universum is groot, sterren, manen en wormgaten wisselen elkaar af, denken wij als mensen. Tien kilometer verderop licht een schijnwerper de lucht op. De discotheek heeft zelfs doordeweeks een gebrek aan aandacht, zo lijkt. Of hij doet ook een poging het onbevattelijke op te lichten.

Misschien ben ik wel niet de enige die op dit moment naar de sterren kijkt. Sterren spreken de verbeelding aan, zijn alleen beschikbaar op de momenten dat ik mijn gedachten de vrije loop kan laten gaan. Fiets ik op een avond naar huis toe, halfdronken, dan zijn ze er niet. Dan zijn er de wolken die de sterren tegen mij beschermen, de sterren mogen niet beschadigt worden. Sterren zijn fantasieën, wachtend om ontdekt te worden door de toeschouwer. Ik kan niet naar sterren kijken als ik net een verhaal gelezen heb of een spel gespeeld heb. Mijn denken is dan vertroebeld, in de ban van wat ik net gezien of gelezen heb. Dat kan ik de sterren niet aandoen.

Ik ben niet de enige die naar sterren kijkt. Dat weet ik bijna zeker, al heb ik nog nooit iemand gesproken die ook naar de sterren kijkt. Ik lees het wel eens in verhalen, stellen die samen naar sterren kijken en dan hardop fantaseren. Dat kan ik mijzelf en mijn sterren niet aandoen. Sterren moeten gerespecteerd worden, er moet in stilte naar gekeken worden. Het heelal. Mooie benaming, ik weet niet waar het woord vandaan komt. De ruimte. Dat klinkt logisch, de lege ruimte die gevuld kan worden met gedachten. Wolken zijn bestemd om samen met iemand anders na te kijken, om simpele dingen bij te roepen. ‘Kijk, ik zie daar een schaapje in’. Leuk, maar het gaat bij wolken om het doel, gezelligheid, een band vormen. Sterren hebben geen doel.

Ik denk dat mensen met verdriet ook vaak naar sterren kijken. Sterren zijn onbegrijpelijk en dus perfect geschikt voor mensen die onbegrijpelijke dingen meemaken of een onbegrijpelijk leven leiden. Mensen in Iran, mensen in China, en mensen in Afrika. De gebieden waar Halo 3 het minst gespeeld wordt en ook de gebieden waar op satellietfoto het minste licht is. De mensen hebben daar niet veel, ze zijn straatarm en krijgen te maken met dood en verderf. Ze lopen door straten met kapotgeschoten of half ingezakte gebouwen, her en der zitten er wat verfresten of een kapot raam. ‘s Nachts kijken ze omhoog en vallen dan in slaap, een knuffel gezonden uit een andere wereld vasthoudend. Dat denk ik. In onze wereld zijn er ook mensen die naar sterren kijken, maar dat zullen er minder zijn. Minder zorgen.

Wetenschappers hebben wel de nodige zorgen. Zorgen om het lege, zorgen om de sterren die nog in kaart moeten worden gebracht. Zorgen over de grootte van heelal, de ruimte. Dat zijn zorgen over een verre toekomst. Het is niet zeker of het ooit zover komt. Het is ook niet zeker of ik en mijn collega dromers ooit op de maan gaan staan. Lijkt me wel fijn, een lege plek. Leger dan de straten waarover ik uitkijk vanuit mijn zolderraam. Dan kijk ik richting Pluto, Mars en Jupiter. Ik draai mij dan niet om. Ik blijf richting het lege staren, dat is de plek die gevuld kan worden met gedachten. Een plek die nog geen eindbestemming heeft. Ik draai niet, ik kijk niet richting de aarde. Richting de andere kijkers, kijkers zonder telescoop. Dat heb ik gemeen met de derde wereld. Verder niet veel. Ik deel niet in hun zorgen. Maar het kan niet goed voelen om in een raket van miljoenen euro’s richting de maan te gaan en vervolgens een blik op aarde te werpen, richting de armoedige en verwoeste straten. Het zoeklicht is uit, valt mij op. Ik sluit het raam en werp mijzelf in bed.

Dit artikel delen

Over de auteur