1. Dagdromen...

Dagdromen...

Ik dagdroom wel eens. Op de fiets, thuis achter mijn computer of bij een doodsaaie les. Mijn gedachten dwalen dan werkelijk alle kanten op, of om het duidelijker te maken; terug in de tijd. Ja, het verleden interesseert mij. Ik fantaseer er dan in zo’n dagdroom op los hoe het zou zijn om met een prachtige toga aan, door het drukke Rome te lopen. De mensen te bekijken die aan het werk zijn, de prachtige gebouwen om me heen, druk sprekende mannen, verhitte discussies. Ik zou willen dat ik er was, dat ik er echt kon zijn. Dat ik naar de mannen toe zou kunnen lopen en met hen mee zou kunnen praten.

Maar mijn gedachten dwalen naar meerdere plaatsen. Ik zou het bijvoorbeeld ook geweldig vinden om in een oud middeleeuws stadje te verschijnen. Door de straten lopen, die gerangschikt zijn in de beroepen van hun eigenaren. Het schoenengilde wat een mooie, lange straat heeft, met de geur van leer overal in de lucht. Ik zie dan in mijn droom mezelf in zo’n prachtige huisje binnen lopen. Aan de rand van de kamer waar ik binnen loop, zie ik dan een oude man belicht door zwak kaarslicht, gestaag de schoen waaraan hij bezig was voltooien. Je ziet dat hij een vakman is, met vaardige grepen naait hij de stukken leer aan elkaar, bewerkt ze en vormt ze om tot prachtige schoenen. Af en toe lopen er een paar leerlingen naar hem toe, om wat te vragen, leer te brengen of om eerbiedig na die oude man te staren. Je ziet de wallen onder zijn toegeknepen ogen, ogen die bijna half blind zijn door het jarenlange werk met nauwelijks licht.

Maar ik zou nog meer in de Middeleeuwen willen doen, als ik er naar toe kon. Een vestingstad die belegerd is. De vele ladders die tegen de muur aan zijn gesmeten staan op de gedempte gracht. Op de ladders storten voortdurend aanvallers neer, bedolven onder gloeiend pek. Ze vallen achterwaarts en vinden de dood door een gebroken nek of een verbrand lichaam. Ik wou dat ik er bij kon zijn. Aan beide kanten van de partijen. Bij de aanvallers lijkt het me geweldig om daar naar boven te stormen op die ladder, moed veinzend, maar ondertussen in je broek aan het schijtend voor de dingen die je daar bovenaan die muur te wachten staan. En dan, op het moment dat je daar boven bent, als je het tenminste redt om boven te komen, wacht je daar een horde kwade burgers die jou als indringer zien. Moedig hanteer je het zwaard, maar je weet dat je in feite een offer van een veldheer bent. Je moet de burgers met je dood uitputten, om ze vervolgens te kunnen laten verslaan door je makkers. Maar ik zou ook aan de kant van de verdedigers willen staan. Een stad, wat verenigd is door zijn bedreiging. Samen, zij aan zij, op de muur staan. Kleine kinderen die haastig door de schare heen rent met pijlen, stenen en soms op die muur ook de dood vindt door een pijl. De mannen die met een zwaard of een scherp voorwerp als een lans of iets anders de aanvallers van de muur af proberen te gooien. En ondertussen die brave moeders, die met hun grote ketels vol gloeiend pek zorgen voor veel doden aan de andere kant. Ik zou willen dat ik er bij was….

Maar er zijn nog meer dingen waarover ik dagdroom. Ik zie mezelf al staan tussen de duizenden soldaten in Italië. Generaal Napoleon leidt zijn kleine minderheid manschappen heldhaftig tegen de vijand. Ik zie hem staan op de brug, zijn manschappen in de voorste linies aanvoerend, schreeuwend om bloed. Ondertussen een aanvaller te doorboren met zijn zwaard, waar bijna niets meer op glimt, door het vele bloed wat het al heeft bestroken. Ik voel de moed die tussen de gelederen gaat als Napoleon daar als leider toch ook zijn leven waagt, net zoals een gewone voetsoldaat. Ik voel me sterk, ik wil hem helpen en ik dood. En dan de uiteindelijke triomftocht door de prachtige pittoreske Italiaanse stadjes, waar Italiaanse schonen hun zakdoeken wuiven naar jou. Ik zou willen dat ik er bij was. Dat ik dat gevoel van euforie kon hebben. Ik zou willen…. dat ik in het verleden leefde.

Dit artikel delen

Over de auteur