1. Niet gevoelig voor de dood

Niet gevoelig voor de dood

Er gaat geen dag voorbij waarop er geen bloederige beelden op het journaal te zien zijn. Een niet nader te noemen persoon heeft zich opgeblazen, vierentwintig doden zijn het verschrikkelijke gevolg. De ontzetting over al die vermoorde kinderen, vrouwen en metroseksuelen duurt bij mij slechts een paar seconden, daarna werk ik opgewekt verder aan het opbouwen van een lekker broodje met ei, hopend dat het een mooie dag wordt. De zon waagt een poging op het doorbreken van de dag. Vogeltjes tjirpen. Vierentwintig vogeltjes tjirpen en eten van een brok zaad dat aan de schutting hangt.

De vierentwintig gesneuvelden verdwenen voorgoed uit mijn gedachten, op het moment dat ik mijn fiets pakte om richting het station te vertrekken. Dit komt vaker voor, merkte ik op. De dood laat geen onuitwisbare indruk meer achter. Beelden van mensen die verscheurd zijn door scherven afkomstig van een geëxplodeerde auto, krijgen het niet voor elkaar om mijn eetlust te bederven. De dood is geen vrolijk onderwerp, maar het is een onderwerp dat belangrijk is en interessant is. Ik geloof niet in de dood. Maar het idee, dat andere mensen beslissen over het leven van anderen, en daarbij een ontzettend egoïstische beslissing nemen, is dat niet overrompelend? Moet ik het broodje ei niet uit woede kapotgooien tegen de muur?

Ik zie mijzelf als iemand die een redelijk gevoel voor rechtvaardigheid heeft. Zodra er een eersteklasser heen en weer geduwd wordt door een overvolle gang, verschijnt er een grijns op mijn gezicht. Hiërarchie is belangrijk binnen de schoolmuren. Ze leren hun plaats naarmate het jaar zichzelf vervolgt, om over een paar jaar zelf andere brugpiepers te degraderen tot irritante, kleine kut opdondertjes. Zodra ik in de gang sta en een paar 5-Havo’ers beginnen te slaan, kan ik een walgend gevoel niet onderdrukken. Mijn onverschilligheid over een zelfmoordaanslag, wat toch wel wat hoger op de morele ladder staat, weet me te verbazen.

De manier waarop het gebracht wordt heeft misschien iets te maken met de manier waarop ik op het schouwspel reageer. De laatste tijd zijn grote aanslagen nog wel te vinden in het eerste gedeelte van het journaal, middelgrote zijn al verplaatst richting het einde en de kleinste dodenaantallen zijn alleen nog maar te vinden op teletekst. Daarnaast zien de nieuwslezers er ook niet altijd even geschokt uit, of juist te geschokt: ‘Zometeen in dit journaal; honderd zinloze doden bij een zinloze aanslag in een zinloos land!’ Ik wil terug naar de tijd dat Philip Freriks op een doodserieuze manier het nieuws overbrengt, zonder verveeld te kijken of bijna huilend over te rollen. Wellicht dat het dan een diepere ontroering achter zou laten. Wellicht. Ik denk het niet.

Het is namelijk te makkelijk om de manier waarop het feit gepresenteerd wordt te beschuldigen van indoctrinerende onverschilligheid. De onverschilligheid zit in mij en komt er waarschijnlijk nooit meer uit, de kille visie op zelfmoordterrorisme heeft zijn sporen al vastgeklonken in de bielsen van mijn hersenen. Er blijven twee mogelijke timmerlieden over die constant bezig zijn met het inklinken van het ijzer op het hout.

Ten eerste is er de afstand. In een steeds meer globaliserende wereld, betekent het Midden-Oosten nog steeds niet zoveel voor mij. Ik ken de landen die er liggen niet uit mijn hoofd, de cultuur heeft de nodige onbekende eigenaardigheden en de manier van schrijven is nogal tegendraads. Ik ken de mensen niet, en ik voel mij dus ook niet verbonden met hun. Dit kan de onverschilligheid verklaren, maar het verklaart niet waarom ik niet verontrust ben over de acties van individuen richting een groep mensen. Het is een onderwerp waarover niemand meer spreekt, terwijl het dagelijks in het nieuws te vinden is. Er valt niet veel te vertellen aan een ander over zo’n actie, maar er valt genoeg te vertellen over de directe gevolgen van zo’n actie in de denkruimte van onze hersenen. Er gaan mensen dood. Ik blijk niet om deze vreemden te geven. Dit kan een verklaring zijn.

Gewenning is een vreemd woord. Het kan zowel positief als negatief zijn. Gewend raken aan het geluid van een langsrijdende auto is onbewust een erg prettig gevoel. Gewend raken aan zelfmoordterrorisme is onbewust een eng gevoel. Eng. Het is eng, dat ik gewend ben geraakt aan het zien van ontploffingen en doden. Dagelijks wordt ik geconfronteerd met het automobiele gebrom, hierdoor valt het geluid mij niet eens meer op. Wellicht geld dit ook voor het zien van aanslagen. Van doden. Van kinderen die beseffen dat ze alleen op de wereld staan, van moeders die hetzelfde doormaken. Deze gewenning voelt raar. Ik krijg er een misselijk gevoel van. Hetzelfde gevoel dat de kettingrokende professor gekregen moet hebben die de kankerverwekkende gevolgen van nicotine ontdekt heeft. Bah. Angstaanjagend. Ik voel dat ik onverschillig ben en ik keur dat gevoel (onbewust) af, door mijzelf schuldig te voelen, door zelfs een beetje boos te worden. Ik moet oppassen. Er voor uitkijken dat deze boosheid zich niet omzet in razernij, of zelfs in blinde haat. Dit kan een doel zijn van de zelfmoordterroristen. Via haat verlaag ik mij tot hetzelfde geestelijke niveau, het niveau waarop iemand in staat kan zijn om een pistool op gehate af te vuren, of om zelfs een bom rond zijn middel te binden.

De zinloze doden schokken mij, tien seconden lang. Daarna maakt het plaats voor onverschilligheid. Deze moreel verwerpelijke manier om een boodschap duidelijk te maken verdiend ook onverschilligheid.

Dit artikel delen

Over de auteur