1. Het voetstuk van de kunst

Het voetstuk van de kunst

Op de tweede plaats in mijn lijst van geestverrijkende zaken in het leven staat, achter muziek, de beeldende kunst. Het simpelweg kijken naar bepaalde afbeeldingen kan een onverklaarbare emotie teweegbrengen. En wanneer die emotie ook de door de vervaardiger beoogde is (en bijvoorbeeld geen onbedoelde afschuw), dan noemt men dit kunstig. Oorspronkelijk slechts een middel om religieuze en mythologische verhalen kenbaar te maken aan een groot publiek, werd kunst vanaf de Renaissance een meer individualistisch fenomeen. En sinds pakweg de jaren 50 werd de massa via alle moderne communicatiemiddelen geconfronteerd met kunst van meestal één dezer twee vormen:

- Een amusementsvorm: de vroegste vormen van strips, films en games vallen hier bijvoorbeeld onder

- Een experiment met een boodschap

Het is de laatste vorm waar ik iets over kwijt wil, met als illustratie een anekdote van de kunstacademie van Den Bosch.

Op deze academie volg ik sinds enige tijd een wekelijkse cursus met als doel mij te oriënteren op een loopbaan. Ik teken namelijk zeer veel en het leek me leuk om van mijn hobby een beroep te maken. Op weg naar het academiegebouw overvalt mij de laatste paar weken echter een gevoel van nutteloosheid. Want van deze cursus ben ik hoegenaamd geen steek wijzer geworden. Er is mij niets onderwezen: ik ben enkel en alleen gestimuleerd om zelf maar wat te ‘experimenteren’ en vooral niet te normaal te doen en te denken. Meerdere malen heb ik als argumentatie voor deze onderwijsmethode gehoord: ‘want technieken om iets mooi te maken zijn later pas van belang’.

Ik wilde deze, voor een kunstopleider toch merkwaardige reden nog wel door de vingers zien, maar vorige week zaterdag werd ik tijdens een cursusdag deelgenoot gemaakt van een krankzinnige mededeling die uit deze toch al vreemde redenering voortkwam: toen ik een zwaar, wit voetstuk wilde verschuiven werd ik tegengehouden door een begeleidster. “Wat was jij daarmee van plan?” vroeg ze, met irritant gespeelde onwetendheid. “Verschuiven, mevrouw, zodat ik er iets op kan zetten”. “Aha… Maar waaruit blijkt dat dit blok geen kunstwerk is?” “Uit het feit dat hier dikwijls sculpturen op geplaatst worden?” “Nou, nee dus. Dat is helemaal geen reden. Als hier iets neer wordt gezet, dan dient iedereen er rekening mee te houden dat het wellicht een kunstwerk kan zijn. Het is de schoonmaaksters dan ook verboden om papiertjes of andere voorwerpen zomaar weg te gooien.”

En daarmee werd al mijn hoop voor deze opleiding de grond in geboord. Als men de schoonmaaksters moet verbieden iets in een prullenbak te deponeren omdat de kunst nauwelijks meer te onderscheiden valt van doodgewone rotzooi, dan weiger ik de term in deze context te accepteren.

Op de academie werd onderwezen dat de benaming ‘kunst’ voor het grootste deel afhankelijk is van de achterliggende gedachte of boodschap die de artiest ermee uit wil dragen. Vandaar dat schildertechnieken ondergeschikt geacht worden aan originaliteit. Goed beschouwd slaat deze prioriteitenstelling als een tang op een varken. Want is het niet veel logischer om een kunststudent allereerst technische vaardigheden te onderwijzen, teneinde hem in staat te stellen zijn gedachten op een voor het oog prettige wijze te botvieren op papier, doek of steen? Het ontwikkelen van een eigen stijl valt namelijk niet te leren; enkel door veelvuldige oefening kan deze gebaard worden. Schildervaardigheden, verhoudingen van het menselijk lichaam en soortgelijke zaken kunnen wel onderricht worden

Toen ik dit probleem bij een andere begeleider aan de kaak stelde, antwoordde hij met de volgende vergelijking: “Je moet kunst zien als het bouwen van een boot en ons als scheepsbouwers. Wij kunnen je wel gereedschap bieden, maar dat is niet wat we doen. We proberen eerst het verlangen naar de zee bij jou op te roepen. Die boot komt dan vanzelf, op je eigen manier.”

Een prachtige vergelijking, die het doorprikken van de achterliggende gedachtegang verduidelijkt en vergemakkelijkt. Men vergeet immers dat het verlangen naar de zee al bestaat; met welk ander doel zou iemand naar een scheepsbouwer gaan? En bovendien bestaat het risico dat een onbekwaam gebouwd schip zinkt als een zwaar, wit voetstuk.

Dit artikel delen

Over de auteur