1. Heaumeau

Heaumeau

School is, zoals veel jongeren weten, een helse bedoening. Veel vakken die saai en nutteloos zijn, nazistische leraren, et cetera. Maar af en toe kan het erger. Véél erger, geloof me.

‘s Maandags, nadat ik me door verscheidene suffe lessen en awesome pauzes had geworsteld, ging de zoemer voor de laatste keer. Ik pakte snel mijn tas in, sprintte het tekenlokaal uit (want ja, daar bevond ik mij het achtste uur) en wandelde op topsnelheid nog heel even naar de mediatheek om aldaar nog eventjes Media Marcel, ook wel Lonely Dragon of verrekte mongol genoemd te pesten en snel heel even mijn drie weken te late levensbeschouwingwerkstuk in te leveren. Na dit gedaan te hebben liep ik vrolijk de mediatheek uit, in de hoop zo snel mogelijk thuis te komen en nog even een zak biggetjes te scoren bij de plaatselijke supermarkt. Helaas, het lot wilde het anders.

“Hee, homo!” schalde er door de verlaten gangen. O nee, wat nu weer, flitste er geïrriteerd door mijn hoofd. Vanuit mijn ooghoeken zag ik namelijk al mijn grote vriend Burak en zijn entourage. Burak is een rasechte pimp, een Mocro van jewelste, een parel uit het Rifgebergte, of zo denkt hij zelf althans. Eens op een dag, lang, lang geleden, nadat ik zijn opgefokte hanengedrag volkomen zat was, noemde ik hem een schurftige hond, iets wat hij niet leuk vond. Na een episch gevecht tussen yours truly en onze Marokkaanse vrind had ik Burak’s neus rood doen kleuren, zijn linkerjukbeen tegen een kluisje gesmackt en bovendien zijn zaadfabriek failliet verklaard. Hij had daarop mijn een blauwe plek op mijn scheen getoverd en ook nog mijn ribben gekneusd door me op een deurstopper te smijten en waar ik nog drie maanden lang last van heb gehad (iets wat hij trouwens niet weet, waardoor ik nog steeds als winnaar van het gevecht wordt gezien). Curieus genoeg deed deze gebeurtenis me denken aan een blog op InsideGamer (over een zielig patsertje of iets dergelijks, ik weet het al niet meer precies) en ik besloot het hoofd koel te houden.

Ik keek heel even de gang rond, zag niemand anders en keek vervolgens Burak aan. “Hmm, had je het tegen mij?” zei ik zo neutraal mogelijk. “Ja, jij ja, kankernederlander! Vieze kankerhomo!” riep hij door de verlaten gang heen, terwijl zijn vriendjes snel even naast hem kwamen staan, voor het geval ik probeerde hem zou proberen te vermoorden (een gedachte die zeker in mijn hoofd opkwam). De één was een klein, pezig ventje, Noord-Afrikaans gok ik zo, en keek me van daarbeneden vuil aan. De ander was een lange, mollige jongen die er kennelijk nogal van onder de indruk was dat hij tot dat coole, stoere groepje van Burak was toegelaten. Juist, dacht ik bij mezelf. Ik lijd dus aan kanker, val op mannen en ben een Nederlander. Twee dingen kloppen hier niet. Dus op een hopelijk redelijke toon zei ik tegen hem: “Ik val niet op mensen van hetzelfde geslacht, Burak. En ik ervaar het eigenlijk ook wel als kwetsend dat jij zo vrolijk met ernstige ziektes strooit.” “Ha! Zie je wel, je bent homo, met je dure woordjes! Gaylord!” Zijn landgenoot grinnikte vals, de andere blanke jongen vijf seconden later, toen hij doorhad dat dat de bedoeling was. “Omdat ik een uitgebreide vocabulaire heb ben ik dus homo?” zei ik koeltjes tegen Burak. ‘Sorry, volgens mij heb ik gewoon goed opgelet bij Nederlands, hoor.” “En dan draag je ook nog eens een keer zo'n blouse, gaylord! Je bent gewoon fucking gay!” Wederom grinnikte de twee naast hem. Ik besloot het over een andere boeg te gooien.

“Dus ik ben homo. Oké, deze hypothese nemen we aan. Wat dan nog? Is er iets mis met homofiele mensen?” probeerde ik nog steeds redelijk te antwoorden. Burak stond verward naar me te kijken, blijkbaar was hij me bij “hypothese” al kwijt geraakt. Toch pakte hij dapper de draad weer op. “Nou, eh, homo’s zijn gewoon kankervies en goor en kut, en jij ook! Dus jij bent ook homo, met die pik in je reet!” “Waarom zijn homo’s dan vies en goor en kut, Burak?” luidde mijn antwoord. “Nou eh… gewoon, wijven zijn veel lekkerder en mannen bij mannen is kankervies en goor en kut!” Onze Burak bleek buiten uiterst kortzichtig, intellectueel gelijk aan een knaagdier ook nog eens vergeetachtig te zijn, aangezien hij dat drie seconden eerder ook al gezegd had. “Je valt in herhaling,” zei ik dan ook. Burak raakte geïrriteerd, hij had al tien minuten thuis kunnen zijn als hij me niet zo had moeten proberen te dissen. “Het is gewoon zo, kankerhomo, kankernederlander! En je hebt schijt aan je lul, omdat je je vader in z”n reet hebt geneukt, en nu heb je aids!” Buiten het feit dat ik het anaal vrijen met mijn vader een extreem weerzinwekkende gedachte vond, vond ik ook dat mijn maatje nu ook iets teveel met ziektes begon te smijten. “Dus alle homo’s hebben geslachtsziektes, Burak? Er bestaan voorbehoedsmiddelen, hoor, en daarbij is dit ook weer een typisch vooroordeel jegens de homofiele gemeenschap.” Blijf 'm verbazen met archaïsmen en dure woorden, Simon, bleef ik bij mezelf denken. Na wederom een tijde wezenloos voor zich uit te hebben gestaard, besefte hij eindelijk wat ik zei en ging moedig in de tegenaanval: “Helemaal niet, al die kankerhomo’s hebben kanker en aids en tering en tyfus, en jij ook, verdomme!” Ik keek op de klok en werd stil. Het was inmiddels kwart voor vijf, ik had inmiddels thuis kunnen zijn, verdomme. I lost my cool.

Burak pakte mijn stilte op als een teken van zwakte en ging, zo dacht hij, ‘genadeloos’ door, terwijl zijn maatjes nog steeds stonden te grijnzen. “Zie je wel, je bent helemaal stil, faggot! Ha, kankernederlander heeft met zijn vader geneukt en met zijn opa en met al die andere kankerflikkers! Geef me nu maar bewijs dat je geen gay bent!” Ik besloot dat het tijd was om vuur met vuur te bestrijden, achterlijke randdebiel tegen achterlijke randdebiel. “O, je wilt bewijs? Echt?” Luid grinnikend antwoordde Burak van ja. “Wel, omdat ik na je moeder haar snor geharst te hebben lekker tussen d'r tieten heb geneukt!” Burak flipte, stormde op me af en probeerde tevergeefs mijn hoofd te raken met zijn vuist. Ik wist mijn hand tegen zijn strot aan te slaan, schopte diep tegen zijn nieren, zei vervolgens vriendelijk “Rot op,” tegen zijn kornuiten en ging maar eens naar de supermarkt, waar nu al een tijdje een overheerlijke zak biggetjes op me lag te wachten.

Dit artikel delen

Over de auteur