1. Aestas Inferna Part 1

Aestas Inferna Part 1

Er is veel gebeurt sinds ik iets minder dan een jaar geleden het gestoorde idee kreeg een verhaal te schrijven dat gebaseerd was op de leden van IGF en de gebeurtenissen op IG, de slowchat en daarbuiten. De IGF Villa is afgerond en vele anderen hebben de spreekwoordelijke pen ook opgepakt en zijn aan het schrijven gegaan. Dit liep van ronduit absurd naar erg tof. Een daarvan was ik zelf enorm van gecharmeerd, Knights of Igianië, van de hand van Sadist. De wereld waarin zich dat allemaal af speelde vond ik erg interessant, en ik wilde daar meer mee doen. Dus heb ik Sadist benaderd met de vraag of hij dat goed vond en heb ik hem dit eerste hoofdstuk meegestuurd. Hij vond het tof en gaf zijn goedkeuring. Wat ik jullie hier presenteer is een vervolg op KOI, maar niet in de meest letterlijke zin. Het speelt zich af in de wereld van IGF, maar dan 200 jaar later. Hier en daar neem ik wat vrijheden met Sadist zijn werk en ik breid de wereld flink uit,maar dat zullen jullie wel merken.

Een laatste ding wat ik nog wil zeggen is dat ik van plan om elk IGF lid dat een beetje actief en bekend is op het forum een rol ga proberen te geven. Tenminste, als de interesse voor het verhaal een beetje aanwezig blijft.

Vanaf deze week zal ik elke vrijdagavond een nieuw deel online gooien. Dus hou mijn weblogruimte en sig in de gaten!

En dan nu: Aestas Inferna Part 1:

Een toevallige ontmoeting

Het was een snikhete zomermiddag. De solstitium aestivum, de kortste dag van het jaar, was net geweest en Igianië maakte zich klaar voor een nog heter jaar dan dat daarvoor. Vanuit het zuiden kwamen berichten van enorme watertekorten en in de bosrijke gebieden van het noordwesten begonnen de eerste bosbranden hun kop op te steken. Alle tekenen wezen naar een helse zomer, en deze was nog maar net begonnen.

Het veld lag er verdord bij, zo ver het oog reikte hadden de aardappelplanten van zijn vader enorm te kampen met de verzengende hitte. Nogmaals begon hij aan de tocht naar het bijna verdampte beekje een paar mijl lopen vanaf het veld. Tijdens het lopen dacht hij aan de geschiedenisles die hij de dag ervoor had gekregen, de verhalen over de burgeropstand en de aanval van Nottyham. 200 jaar geleden zag de wereld er een stuk anders uit, een stuk interessanter. In die tijd had hij misschien wel een held kunnen zijn.. En nu ben ik de zoon van een arme aardappelboer, dacht hij bij zichzelf terwijl hij bij het beekje aan kwam. Hij beseft dat hij en zijn vader nog een stuk armer zouden worden, het gevecht tegen de hitte was een verliezende strijd. Als ze het nog een week of twee uit konden houden dat zouden ze de oogst kunnen redden. Zijn vader was hoopvol, regen zou niet lang meer duren beweerde hij… Maar dat was valse hoop, het was een helzomer!

Toen hij de oude boerderij van zijn familie weer naderde zag hij een bekende man vanaf het huis zijn kant op rijden. Als hij de man niet herkend had, dan zou het paard zijn identiteit wel weggegeven hebben. Een prachtig zwart ros uit de hooglanden van Igianië, het bit leek van puur goud gemaakt te zijn en het zadel was gemaakt van wit zeehonden leer, gestikt met gouddraad. “Hoe is het jongen?” zei de wat forse man vanaf het majestueuze paard terwijl hij stapvoets aan kwam rijden. “Heel goed meneer Buwalda.” Antwoordde de jongen met het respect dat een boerenjongen een rijk koopman als Heer Buwalda diende te tonen. “Al is het wel erg warm.” De man bulderde van het lachen, “Warm zegt de jongen, volgens mij ben ik op de heenweg al 10 kilo afgevallen door al dat zweet, ik zie m’n buik gewoon krimpen.” De jongen wist even niet hoe hij hier op moest antwoorden, en zocht dus maar snel een uitweg. “Bent u gekomen om oogstafspraken te maken?” Het humeur van de heer Buwalda sloeg zichtbaar om bij het horen van die vraag. “Nee jongen, ik kwam kijken of het er hier even slecht voorstond als bij de andere boerderijen. Het lijkt er op dat ook jullie oogst het niet gaat redden. Hoe positief je vader er ook bij blijft.” De jongen knikte instemmend zijn hoofd, terwijl hij een droevige zucht slaakte. “Maar goed, ik moet er weer vandoor, de weinige aardappels die nog heb moeten verhandeld worden, en met deze schaarste, ben ik blij dat ik de handelaar ben!” De heer zette zijn ros aan tot een draf en stak zijn hand op, “Tot de volgende keer Snipert!”

Eenmaal weer thuis aangekomen ging Snipert snel zijn kamer in, hij moest nog even wat voor school door nemen. Bij het lezen van de legendarische verhalen over de burgeropstand en de heldhaftige avonturen van 7threst en zijn kompanen droomden zijn gedachten weg. Hij was een befaamd ridder, die de eer van de mooie en exotische dame Fidelity moest beschermen tegen de vuige paarse ridder Tidow, verrader van de senaat, verrader van het volk. Net wanneer hij de eerste slag uit wilde delen werd hij ruw uit zijn dagdroom gerukt door de stem van zijn vader. “Snipert, kom eten jongen, het wordt koud!!” Klonk het vanaf beneden. Snipert liep naar beneden en maakte aanstalten om te gaan zitten, het zorgelijke gezicht van zijn vader viel hem op, normaal was het altijd een zeer vrolijke man. “Snipert mien jung, we moeten het even ergens over hebben!” Terwijl zijn vader een klodder stamppot op Snipert bord gooide vervolgde hij: “Ik weet dat ik je vertelt heb dat het wel goed zou komen met de oogst, maar ik begin me nu zorgen te maken.” Hij had zijn vader nog nooit zo meegemaakt, het leek er op alsof al zijn positiviteit weggeëbd was, en er bleef een zielig hoopje mens achter. “Als we weer zo’n slechte oogst hebben als vorig jaar dan redden we het niet, ik kan je zo niet onderhouden. Dus ik heb eens na lopen denken en besloten dat jij beter naar de stad kunt gaan, om bij je oudoom Aiii te gaan werken.” Snipert volgde het verhaal met gemengde gevoelens. Aan de ene kant had hij altijd het kleine dorpje waar hij woonde willen verlaten en de wijde wereld in trekken, maar alles wat hij kende achter laten maakte hem toch een beetje nerveus. “Als het over een week nog niet geregend heeft, en de beek ook droog staat… dan krijg je m’n laatste geld mee en moet je de tocht naar Frontpagia maken jongen. De stad is rijk en er is daar altijd wel genoeg te eten.” Snipert was in de war, als hij naar de stad ging met al het geld, hoe zou zijn vader dan overleven? Hij stelde de vraag aan zijn vader en deze antwoordde: “Ik zal op de boerderij blijven passen en een paar planten proberen te redden om nog wat geld mee te verdienen. En daarnaast heeft Heer Buwalda toegezegd dat ik als het niet meer gaat op zijn landgoed kan gaan werken, dat verdient niet veel, maar ik kan er wel van overleven. Geloof me jongen, maak je om mij maar geen zorgen!” Met een subtiele knik richtte Snipert zijn blik weer op zijn stamppot…

Een week later zien we onze arme boerenzoon terug terwijl hij via een weinig gebruikte weg vanuit zijn kleine dorp richting de hoofdstad loopt. Om hem heen ziet hij gouden velden zover het oog sterkt, een mooi gezicht, maar hij weet dat dit vergezicht veroorzaakt wordt door de hitte, het gras is dood. Terwijl hij denkt aan de avonturen die hij ongetwijfeld gaat beleven in Frontpagia wordt hij opgeschrikt door het geluid van hoeven achter zich. Wanneer hij zich omdraait ziet hij een enorme stofwolk dichterbij komen, hij blijft even staan om de stoet aan zich voorbij te laten trekken. Wanneer de stoet dichtbij genoeg is om het duidelijk te zien wordt Snipert duidelijk waar hij mee te maken heeft. Aan het hoofd van de stoet rijdt een Moderator, een ridder in de orde van de senaat. De meesten fungeren als lijfwachten voor de verschillende senators en hun familie. Met grote ogen kijkt Snipert voorste ridder aan. Een imponerende man volledig gekleed in een gouden harnas, met een scharlaken mantel daar omheen. De standaarduitrusting van een moderator. “Met deze hitte zal hij wel bijna doodgaan in dat harnas!” Denkt Snipert bij zichzelf. Hij schrikt er een beetje van wanneer de ridder snelheid verminderd en naast hem stil blijft staan. De volbloed witte ruin waarop de ridder gezeten is briest nog na, duidelijk een puur ras uit de laaglanden van Offtopica. Het complete plaatje is zeker indrukwekkend, Snipert kon zich niet voorstellen dat iemand zich ooit met deze ridder zou willen meten, of hoopte te kunnen verslaan.

“Jongeman” klonk het vanuit de helm, “zou ik je wat mogen vragen?” Terwijl Snipert een stamelende ja er uit gooide, zette de goudrode ridder zijn helm af. Snipert keek vol verbazing naar het gezicht dat er onder vandaan kwam. Waar hij een man in de kracht van zijn leven had verwacht zat er in dat harnas een jongen die misschien nog wel jonger was dan hij. “Mijn naam is Ser Choqo, ridder in de orde der moderators, beschermers van senaat, vrede en veiligheid. “ Snipert kreeg even een blackout en antwoordde: “Mijn naam is Snipert… boerenzoon in de orde van euhm… aardappelen…” De ridder keek hem aan met een blik waaruit niet duidelijk werd of hij verward of boos was om het antwoord van Snipert, maar barste daarna in lachen uit. “Beschermer van haard, huis en piepers zeker! Haha, ik mag jou wel Snipert! Of moet ik Ser Snipert zeggen?” Opgelucht dat de Moderator zijn verbale spraakwaterval kon waarderen antwoordde Snipert: “Snipert is goed heer, wat wilde u me vragen?” Ondertussen was de complete stoet tot stilstand gekomen bij de jonge boerenzoon. Ser Choqo was de enige Moderator in het gezelschap, verder bestond de stoet uit een zeer luxueuze koets, een aantal lagere ridders ter bescherming en een hofhouding die uit meer mensen bestond dan het dorp waar hij vandaan kwam. Hij probeerde in de koets te kijken of hij kon zien wie er in zat, maar dat lukte vanaf hier niet echt. “Nou jongen, deze omstreken zijn nogal onbekend voor mij en mijn gevolg. Kun jij ons vertellen of we ongeveer op de goede weg zijn voor de hoofdstad?” Snipert dacht even goed na, hij was een aantal keer met zijn vader naar zijn oom in de Frontpagia geweest, maar zij waren altijd te voet en namen een kortere weg door de bergen. De stoet zou om moet rijden. “Volgens mij wel heer, ik ben een aantal keer vanaf hier naar de hoofdstad gegaan. Als het goed is zou u bij de volgende splitsing rechts moeten gaan. Dan gaat u om de bergen heen en komt u uiteindelijk weer bij deze weg terecht. “Oké bedankt Ser Snipert, wij vertrekken dan weer. Misschien zullen onze wegen ooit weer kruizen. Succes!”

Terwijl de stoet langs hem optrekt werpt Snipert een blik in de koets. In een glimps ziet hij een meisje van ongeveer zijn leeftijd, met een met prachtige veren getooid masker op die de bovenste deel van haar gezicht bedekt. Hij dacht echter wel een glimlach gezien te hebben… “Zou die naar mij gericht zijn?” Denkt hij bij zichzelf terwijl de stoet verder trekt. “Hmm nou ja, waarschijnlijk zie ik ze na de bergen wel weer, ik kan er veel sneller overheen dan dat zij er omheen gaan.” Terwijl er een glimlach op zijn eigen gezicht verschijnt neemt hij een slok water en gaat verder aan zijn tocht.

Terwijl de avond valt zit Snipert middenin de bergen. Gevaarlijk terrein, vooral wanneer je in je eentje reist. Volgens zijn vader zat het gebergte vol met trollen, flamers kannibalen en gebande criminelen. Hij was ontzettend moe na de hele dag gelopen te hebben, maar hier in je eentje kamp opslaan was vragen om moeilijkheden. Dus zette hij door, de gedachte aan de stoet en het meisje in de koets hielpen hierbij. Hij dacht ze nog wel te kunnen treffen. Terwijl hij aan de afdaling begon werd zijn humeur echter minder. Het meisje in de koets was duidelijk van een hogere kaste dan hij. Waarschijnlijk elite, misschien zelfs familie van de senaat. Hoe zou zij ooit met iemand van het voetvolk in aanraking kunnen komen?

Opeens schrikt hij op uit zijn gedachten van een briesend paard. “De stoet!”Denkt hij bij zichzelf terwijl hij half vallend zich zeer rap een weg naar beneden baant. “Huh, maar dan had ik wel meer moeten horen.” Het was ondertussen volledig donker, wat een welkome verkoeling bracht na de zinderde hitte van die dag. De maan was echter volledig gevuld, waardoor zijn zicht niet compleet van hem ontnomen was. Opeens spot hij achter een paar struiken de oorsprong van het geluid. Wanneer hij richting de struiken loopt schrikt hij, voor zich ziet hij de witte ruin waar eerder op de dag nog de ridder had gezeten die Ser Choqo heette. Wanneer hij het dier beter bekijkt ziet hij dat de sneeuwwitte vacht hier en daar onderbroken wordt door dieprode vlekken. “Bloed!” Denkt Snipert bij zichzelf, “Maar niet van het dier zelf… Wat is hier gebeurt?” Zonder na te denken springt hij op het rijdier en zet een gallop in, terug naar waar het dier vandaan gekomen zou moeten zijn.

Wordt vervolgd

Dit artikel delen

Over de auteur