1. Aestas Inferna Part 2

Aestas Inferna Part 2

Zo daar zijn we weer, een nieuwe vrijdag een nieuw deel van Aestas Inferna. Zoals ik vorige week gezegd heb, een vervolg op KOI, maar dan 200 jaar in de toekomst.

Aiii stelde me naar aanleiding van het vorige deel nog een vraag, die interessant genoeg is om hier te herhalen. Hij vroeg zich namelijk af of oudoom Aiii dezelfde Aiii was als die 200 jaar geleden zijn magische skoda tegen Tidow aan liet botsen. Dat is dus niet zo, het betekent ook niet direct dat hij een afstammeling is van die Aiii. Wat het in de wereld van Igianië eigenlijk betekent is dat hij vernoemd is naar de Aiii van de legendes. Iets wat in de echte wereld natuurlijk ook wel eens gebeurt. Zo kun je alle namen van leden lezen die in het verhaal van Sadist voor kwamen. Namen die veelgebruikt worden omdat er een bekend iemand naar vernoemd was. Al zijn de karakters uiteraard gebaseerd op de leden die ze hebben. 7threst zal nooit een flinke biefstuk naar binnen werken en Mortal Marcel zal nooit blank zijn.

Anyway, zonder verder oponthoud:

Een missie van levensbelang

In volle gallop jakkert Snipert het paard van Ser Choqo langs de weg richting het zuiden. Het paard wil duidelijk niet graag terug in deze richting, maar Snipert heeft hem alsnog goed onder bedwang. Een lijkbleke volle maan kijkt als een reus in de lucht op hen neer. Een kleine rilling gaat door Snipert terwijl hij de sporen nogmaals in de zij van zijn paard zet. Dan ruikt hij opeens iets, “Rook!” Schiet er door hem heen terwijl hij aanstalten maakt zijn rijdier de bocht om te leiden. Wanneer hij deze maakt ziet hij opeens waar de lucht van afkomstig is, even verderop ziet hij de roodgele gloed van een woedend vuur. “De koets?” Denkt hij bij zichzelf. Wanneer hij dichterbij komt blijkt dit inderdaad het geval te zijn. Naast de geur van het vuur komt er nu echter nog een andere onsmakelijke geur bij, die van de dood. Het vuur werpt speelse schaduwen op de grond wanneer het licht de levenloze lichamen raakt die her en der om de brandende koets verspreid liggen. Met zijn mouw voor zijn mond tegen de geur stapt Snipert af en knielt bij een willekeurig lichaam om te zien of er nog een teken van leven in zit. “Kom op, er moet verdomme nog iemand in leven zijn!” Schreeuwt Snipert terwijl het hem duidelijk wordt dat de wachtruiter die hij in zijn armen heeft morsdood is.

Dan hoort Snipert tussen het kraken van het brandende hout en de woekerende vlammen een soort gekreun komen van de andere kant van de koets. Hij trekt een sprintje en ziet daar tegen een rots een gestalte zitten. Het licht van de vlammen weerkaatst tegen het gouden harnas en de scharlaken mantel heeft een donkerdere tint gekregen. Snipert herkent Ser Choqo gelijk en hurkt neer bij de duidelijk zwaargewonde Moderator. “Ser Choqo!! Wat is er gebeurt?” De ridder kijkt op naar Snipert, het licht in zijn helderblauwe ogen een stuk meer gedimd dan tijdens hun ontmoeting eerder op de dag. “Euhg… aangevallen door bandieten… tuig dat verbannen is uit de hoofdstad…” De ridder grijpt opeens naar zijn borst, waar een afgebroken pijl nog half uitsteekt. Een stevige stroom bloed doet het gouden harnas rood kleuren. Wanneer de ridder knock out lijkt te gaan doet Snipert zijn mond weer open: “Geen zorgen, ik ga hulp halen! Je kan het nog redden!” Snipert wil op staan, maar Ser Choqo trekt hem aan zijn arm weer naar beneden. “Nee… ik ben er geweest. Doe geen moeite.” Snipert wil er wat tegenin brengen, maar de ridder vervolgt zijn waarschijnlijk laatste woorden. “De meid… de dochter van de kanselier.. Ze moet hier nog ergens zijn. Zoek haar, zorg dat ze veilig blijft!” Snipert schrikt, hij wist wel dat het meisje in de koets van hoge komaf had moeten zijn, maar de dochter van de voorzitter van de senaat?! “De bandieten hadden er volgens mij geen weet van dat ze van hoge komaf was… Ze lieten haar lopen terwijl ze de koets doorzochten op waardevolle zaken.” Snipert wist niet wat hij moest zeggen. Deze ridder was aan het einde van zijn latijn, zijn wonden waren inderdaad te erg er nog iets aan te doen. En terwijl niemand behalve een arme boerenzoon in de buurt was, wilde hij toch zijn taak niet verzuimen. Zijn missie bleef het belangrijkste. “Ik.. ik zal het doen Ser Choqo.” Een flauwe glimlach verscheen rond de lippen van de stervende Moderator. “Nou dan, bij deze rekruteer ik je in de orde der moderators. Voer de missie uit die ik niet kon volbrengen. Breng de dochter van de Kanselier… Monniejj… breng haar terug!” Ser Choqo begon te hoesten, waarbij er linke hoeveelheden bloed vrij kwamen. Het duurde niet lang voordat de ridder zijn laatste adem blies. Snipert liet een hand over het gezicht van Ser Choqo gaan om zo de ogen te sluiten en stond op. Oom Aiii en Frontpagia zouden nog maar wat langer moeten wachten.

Terwijl Snipert terugliep naar het inmiddels redelijk uitgebrande wrak van de koets raapte hij een zwaard op dat tussen de lijken lag en dacht opeens terug aan de tijden dat hij als kleine jongen met houten zwaarden veldslagen aan het naspelen was met zijn toenmalig beste vriend. Een jongen die een stukje verderop met zijn vader in een jagershuisje woonde. “Wat was zijn naam ook alweer?” Denkt Snipert bij zichzelf terwijl hij zichzelf afvraagt hoe hij in godsnaam de Kanseliersdochter zou moeten vinden bij nacht in onbekend terrein. “Ik zou nu een richting uit kunnen en hopen dat ik haar tegen het lijf loop, maar die kans is klein.” Hij kijkt naar het zuiden waar de stoet vandaan gekomen was, en vervolgens het noorden waarvan hij genaderd was. “Als ze die kant opgegaan was dan had ik haar toch tegen moeten komen… Tenzij ze verstopt zit ofzo. Dan wordt het zoeken naar een speld in een aardappeltuin.” Weer gingen zijn gedachten terug naar zijn jeugd en die lange dagen dat hij als kleine jongen met zijn beste vriend en diens vader in de bossen rond zijn dorp aan het jagen was op wild. “Jaspert, dat was zijn naam!” Snipert beseft zich opeens dat hij tijdens die jachten redelijk wat ervaring opgedaan heeft met spoorzoeken. Als het licht zou worden dan zou hij het spoor van Monniejj misschien op kunnen pikken. Hij besloot voor die optie te gaan, het zou nog een uur of 5 duren voordat het licht werd, dus besloot hij ook nog wat uurtjes slaap mee te pakken. Wakker blijven had op dit punt toch geen zin, hij zocht een beschut plekje op, uit de wind en de bijbehorende geur van de lijken, en maakte het zich voor zover mogelijk gemakkelijk. Terwijl hij dacht aan de opdracht die Ser Choqo hem gegeven had verzeilde hij in een diepe slaap.

Die nacht werd Snipert getroffen door vreselijke nachtmerries. Hij zag zijn ouderlijk huis in vlammen op gaan en het levenloze lijk van zijn vader voor zich liggen. Hij zag de senaat van Igianië branden, omringt door de lijken van Moderators en Monniejj meegenomen worden door gedaantes zonder gezicht. Naast hem stonden 5 mannen in zwarte gewaden. Hij probeerde achter Monniejj aan te gaan maar de mannen naast hem hielden hem tegen. Hij worstelde zich los uit hun greep en rende de deur door. Opeens verdween de grond onder zich en viel hij in een diepe zwarte put.

Voor hij wist zat hij recht overeind, badend in het zweet, op de plek waar hij de dag ervoor was gaan slapen. “Pfff het was maar een droom.” De wind was tijdens zijn slaap gedraaid en hij zat nu middenin de lucht van de inmiddels rottende lijken. De verzengende hitte maakte de lucht ondragelijk en nog voordat hij overeind kon komen zat hij alweer op zijn knieën, kotsend. Toen zijn maag leeg was stond hij op, pakte zijn nieuwe zwaard en liep met zijn mouw voor zijn mond en neus richting het nog smeulende wrak. Bij daglicht was het aangezicht van die gruwelijke plek nog indrukwekkender dan de nacht ervoor. De levenloze silhouetten hadden nu gezichten, gezichten waarvan hij sommige herkende van de dag ervoor. Het deed hem kokhalzen, maar zijn maag was al leeg. “Doorzetten Snipert!” Dacht hij bij zichzelf, “Je hebt werk te doen!” Hij staarde naar de grond, welke vol stond met voetafdrukken, hoeven van paarden en het spoor dat de koets achter liet. Om de koets heen was het één grote chaos die een indicatie gaf van de intensiteit van het gevecht dat er die avond ervoor plaats gevonden heeft. “Wat zou een vrouw van hoge komaf voor schoeisel dragen?” Terwijl hij speurend naar de grond keek beseft hij zich opeens dat hij het verkeerd aanpakte. Middenin de chaos zoeken heeft geen nut, ik moet kijken naar de sporen die van deze plek af lopen. Snipert paste zijn zoektechniek dusdanig aan en liep met een grote boog om het wrak heen. Aan de zuidkant van het wrak zag hij diepe voetafdrukken en de indrukken van hoefijzers. Logisch, de bandieten zijn deze kant op gegaan, anders was ik ze vannacht tegen gekomen. Tussen die sporen kon hij geen ondiepe voetafdrukken of iets dergelijks ontdekken die van een tienerdochter van een kanselier afkomstig konden zijn. “Dus tenzij ze haar op een paard gegooid hebben is ze niet door hen meegenomen.” Terwijl hij zijn cirkel rond het wrak verder maakte ontdekte hij opeens iets wat hem opviel. Hij hurkte en zag een spoor de bergen richting het oosten lopen. De voetafdrukken waren van redelijk kleine blote voeten, en de indrukken niet erg diep. “Dat moet haar zijn!” Dacht Snipert “Maar ze is de bergen in gegaan? Is ze gek?” Een onheilspellend gevoel nam plaats in Sniperts hart terwijl hij begon met het volgen van het spoor.

Het spoor dat de dochter van de kanselier achter had gelaten was ontzettend makkelijk te volgen. “Waarschijnlijk is ze in pure paniek voor haar achtervolgers gevlucht.” Denkt Snipert bij zichzelf terwijl het hem opvalt dat de voetafdrukken minder ver van elkaar af beginnen te liggen. “Ze wordt moe, of ze denkt dat ze veilig is.” Een weemoedige uitdrukking verschijnt op het gezicht van onze jonge held. “Als het dat laatste is dan wordt dat haar dood.” Opeens komt Snipert uit bij een klein beekje. “Myamoto verdom me!” vloekt hij over zijn adem terwijl het hem duidelijk wordt dat hij haar spoor nu kwijt is. Door het water kan hij haar sporen niet volgen. Moedeloos zakt hij op zijn knieën. “Waarom dacht ik ook dat ik dit kon doen? Ik ben geen moderator, ik ben de zoon van een aardappelboer. Van het plebs, het voetvolk.” Een traan biggelt over zijn wang. “Ik had gewoon naar oom Aiii moeten gaan, Monniejj kan ik nooit vinden.” Hij staat op en staat op het punt om terug te gaan waar hij vandaan kwam en zijn weg te vervolgen naar Frontpagia wanneer hij aarzelt. Hij werpt zijn blik in de lucht en prevelt: “Myamoto, mijn heer, als u daar bent. Geef me dan een teken!” Het blijft stil rond onze vriend. “Dat dacht ik al ja, waarom zou een boerenzoon als ik uw heilige aandacht waard zijn heh?” Schreeuwt Snipert op sarcastische toon naar de hemel. In zijn woede werpt hij een steen richting de overkant van de rivier. Wanneer hij de steen ziet neerkomen in een struik aan de overkant van de beek opeens een kleur die niet thuishoort in dit ruige berggebied. Al snel ziet hij wat het een is, een afgescheurd stuk roze stof… “Myamoto zij geprezen!!” riep hij terwijl met hernieuwde kracht het spoor weer oppakte.

Een paar mijl later begint Snipert zich stevig af te vragen hoe het mogelijk is dat een stads meisje dat waarschijnlijk nog nooit iets heeft moeten doen in haar leven in godsnaam zo’n afstand af kunnen leggen. Dan hoort hij opeens gekraak achter zich, gevolgd door een verblindende pijn in zijn achterhoofd. Dan wordt alles zwart.

Wanneer hij weer wakker wordt hoort hij een zwarte stem met een apart accent praten. “Goed gedaan dochter! Weer zo’n bandiet gevonden, hebben we vanavond weer wat te eten.” Hij rolt zich op zijn zij om een beter beeld te krijgen van zijn omgeving. Hij ontdekt dat hij zich momenteel in een kleine houten hut bevindt. Zijn gezelschap bestaat uit twee donkerkleurige wildlingen. “Negers, uit het diepe zuiden.” Denkt hij bij zichzelf. Hij had zijn vader en oom wel eens horen vertellen over deze donkere mensen met de grote lippen en enorm witte tanden, maar hij had er nog nooit één zelf gezien. Dit waren een man en een meisje, ondertussen begon de man weer te praten. “Chiz, zusje, dit heb je goed gedaan. Het is niet zo’n hele grote, maar zeer netjes dat je hem in je eentje hebt gevangen.” Het donkere meisje glimlachte van oor tot oor. “En het was ook enorm simpel, hij hoorde me niet eens aankomen.” Dan krijgen de twee opeens door dat Snipert weer wakker is. “Ah ons avondeten is wakker!” Snipert schrikt als hij door krijgt wat de twee bedoelen. Avondeten? Zijn dit kannibalen? “Marcel,” Zei het meisje: “Niet met je eten praten!” Die bevestiging deed hem beven. Hoe moest hij hier nu weer in godsnaam uit komen?

Wordt vervolgt

Dit artikel delen

Over de auteur