1. Aestas Inferna Part 3

Aestas Inferna Part 3

Een nieuwe week, een nieuw avontuur! Wat zal onze Snipert deze week allemaal beleven? Lees het nu!

De wildlingen

De situatie waarin Snipert zich bevond was op zijn minst precair te noemen. Gevangen door twee wildlingen die van hem hun avondeten wilden maken. Hoe moest hij hier in godsnaam uit komen? Hij was ook maar een eenvoudige boer, zijn vechtkunsten waren bijna volledig gebaseerd op gevechten die hij als kleine jongen had met zijn klasgenoten. Hoe was hij hier ooit in verzeild geraakt? En toen herinnerde hij zich opeens weer Monniejj, en de eed die hij aan Ser Choqo had afgelegd. Hij moest en zou hier weg komen. Hoe wist hij nog niet, maar hij zou het slim moeten spelen.

Ondertussen waren de broer en zus nog steeds in gesprek. Ze hadden ruzie over wie het brandhout diende te halen voor het vuur waarop ze Snipert wilden roosteren. Voor het eerst durfde hij zijn mond open te trekken. “Waarom willen jullie me opeten, ik ben vel over been?!” Hij loog niet, de laatste maanden was er weinig te eten door de droogte, en de lange tocht naar Frontpagia had hem ook geen goed gedaan. “Ik heb nog een half brood in m’n tas zitten en wat groente, daar heb je volgens mij meer aan. De twee negers keken hem vol minachting aan. “We hoeven je ook niet op te eten, we leven hier in de bergen, eten zat!” Snipert snapte het even niet meer, waarom willen ze hem dan opeten? Die vraag werd al meteen beantwoordt. “Jullie soort, bandieten, jullie verpesten alles hier. We leven hier prima en jullie moeten de hele tijd weer onrust veroorzaken. We zagen je wel vanaf de berg, bij die koets. We hebben een hekel aan bandieten, dus eten we je liever op!” Snipert wist even niet hoe hij hier op moest reageren. Hij was geen bandiet, maar dat wisten zij niet, en de feiten spraken ook niet in zijn voordeel. “Ik ben geen bandiet, ik ben een arme boerenzoon…” Bracht hij uiteindelijk uit. Vol ongeloof staarden de twee hem aan. “Dat zeggen ze allemaal” Zei het meisje dat kennelijk Chiz heette. De ander, Marcel, stapte boos naar voren, trok Snipert omhoog en schudde hem door elkaar. “Heeft je moeder je nooit geleerd dat niet mag liegen, ik zal dat zwaard van je eens in je reet duwen. Dat is een assrape waar je niet blij van wordt!” Chiz keek haar broer aan en zei laconiek: “Marcel, assrapes wordt je nooit echt vrolijk van.” Vol onbegrip keek haar broer haar aan. “Niet?” De opwinding werd Snipert te veel, en hij viel flauw terwijl Marcel hem nog omhoog hield. “Haha wat een mietje!” zei Marcel, “Een beetje dreigen met assrapes en hij valt al flauw.” Chiz keek het aan en zei: “Hmm die is nog wel even uitgeteld, we gaan wel samen brandhout halen. Hoe eerder we aan ons hoofdmaal kunnen beginnen!” Morrend stemde Marcel in en nadat ze Snipert vastbonden liepen ze samen de hut uit.

Een kleine glimlach verscheen op het gezicht van Snipert. Ze waren er in getrapt. Met moeite kreeg hij zichzelf overeind, in een zittende houding. Als er ooit een kans zou zijn om weg te komen, dan was dit het, begreep hij. Hij was echter nog gebonden en door het gebergte en de bossen rennen met boeien zou onmogelijk zijn. Toen zag hij in een hoek van de hut het zwaard liggen wat hij de vorige nacht had meegenomen. Met pijn en moeite bewoog hij zich al kruipend en krioelend richting het zwaard. Daar aangekomen schopte hij het omver en situeerde zijn lichaam zo dat zijn boeien bij het zwaard uit kwamen. Het zweet druppelde over zijn voorhoofd. Niet alleen was dit nogal inspannend, maar Chiz en Marcel zouden elk moment terug kunnen komen. Dan zou al zijn moeite voor niets geweest zijn, en zou hij eindigen als een diner voor twee. “Oké Snipert, doe het! Doe het voor de eed die je hebt afgelegd… en Monniejj!!” Hij begon zijn boeien over het lemet van het zwaard te bewegen. Een link werkje, aangezien hij aan zijn polsen geboeid was. Een scherpe pijn liet hem weten dat hij het inderdaad niet goed aan het doen was, hij moest het anders aan pakken. Hij ging in een foetushouding liggen en kreeg met pijn en moeite zijn geboeide handen voor zijn lichaam. Toen ging het snel, hij sneed zijn boeien door, greep zijn zwaard en rende richting de deur. Even bleef hij staan luisteren of hij buiten iets hoorde, maar er was niets behalve het getsjirp van een vogel. Hij stormde naar buiten en werd in eerste instantie verblind door de felle zon. Gedesoriënteerd greep hij om zich heen en greep daarbij een behaarde arm. Snipert schrok zich dood en hoorde stem. “Kijk nou eens zusje, onze avondeten ontsnapt.” Bijna instinctief haalde Snipert uit met zijn zwaard, Marcel kon hem nog maar net ontwijken, maar raakte hierdoor wel uit zijn balans. Terwijl de grote neger om viel spande Chiz een pijl aan op haar boog. Snipert draaide zich om en zette het op een rennen. Terwijl hij de eerste boom van het bos bereikte floot er een pijl langs zijn oren, die vervolgens in een boom terecht kwam. Achter hem hoorde hij een vloek, maar dat maakte hem niet uit. Hij was ze kwijt.

Hij bleef nog even rennen, maar kon zich er al snel van verzekeren dat hij niet gevolgd werd. Hij leunde tegen een boom en zuchtte nog even na. “Pfjoe, dat ging maar net goed zeg…” Hij keek nogmaals naar achteren, maar kon nog steeds niemand zien. “Maar waar ben ik? En hoe moet ik in godsnaam Monniejj vinden nu? Haar spoor ben ik nu dus echt kwijt.” Moedeloos zette hij een stap naar voren, de grond waar hij zijn voet neerzette zat echter los. Met een flinke omhaal gleed hij uit en rolde van een heuvel af. De valpartij duurde was lang en pijnlijk. Scherpe stenen en uitstekende takken staken in zijn zij en schaafde zijn armen en benen tot bloedens toe. Toen de afdaling compleet was kwam hij met zijn achterhoofd terecht op een omgevallen boom, zijn zwaard kletterde naast hem neer. Even was hij bang weer het bewustzijn te verliezen, maar hij kon nog net wakker blijven. Met een bonkende koppijn en bloedende armen en benen probeerde hij weer overeind te krabbelen. “Het gaat weer lekker!” Zei hij hardop. Opeens hoorde hij geritsel naast zich, hij greep zijn zwaard en wilde uithalen toen hij mooiste bruine ogen zag die hij ooit gezien had. “Wie… wie ben jij?” klonk het zacht en angstig.

Voor hem zat een jong meisje, bruin haar en bruine ogen. Haar roze japon was vies en gescheurd, maar het was duidelijk dat dit geen goedkoop kleding stuk was geweest ooit. Haar ontblootte voeten waren vies en bloederig. Het haar van het meisje zat ontzettend door de war en ze zag er eigenlijk meer uit als een wildling dan iets anders. Toch bestond er bij Snipert geen twijfel, dit moest Monniejj. “Wie ben je vroeg ik!” Klonk de stem weer, deze keer harder, maar nog steeds vol angst. “Snipert.” Antwoordde onze jonge held. “Wat wil je van me?” Snipert keek nog eens goed naar haar, de angst stond in haar ogen, ze was vermoeid, waarschijnlijk hongerig en aan het einde van haar latijn. Toch behield ze altijd nog een soort van waardigheid. “Ik ben hier in opdracht van Ser Choqo, ik…” Hij werd ruw onderbroken middenin zijn zin door het meisje. “Ser Choqo, leeft hij nog?? Kratos zij dank dat hij hem beschermd heeft!” Snipert keek haar vragend aan, “Kratos zij dank??” Hij had echter geen tijd hier lang bij stil te staan en antwoordde: “Nee Ser Choqo is… helaas gestorven…” De ogen van het meisje schoten vol, het deed haar duidelijk wat, maar ze schudde die emoties snel van haar af. “Hij heeft mij de opdracht gegeven je te vinden, te beschermen en te escorteren naar de hoofdstad… Je bent Monniejj toch, de dochter van de kanselier?” Het meisje wist even niet of ze de jongen die hier voor haar stond in vertrouwen kon nemen, maar toen leek het alsof er een lichtje bij haar ging branden. “Ja ik ben Monniejj, dochter van Jaylee, kanselier van de senaat, beschermheer van Igianië. Ik zou u eeuwig dankbaar zijn als u kon doen wat u zegt, weledele heer Snipert.” De jonge aardappelboer werd even van zijn stuk gebracht voor de hoffelijkheid van Monniejj, maar kon toch een antwoord uitbrengen. “Noem me maar gewoon Snipert, ik ben een aardappelboer, geen heer.” Monniejj glimlachte en volgde Snipert terwijl hij zijn weg vervolgde.

Terwijl ze even aan het uitrusten waren bij een beekje probeerde Snipert te ontdekken waar ze ongeveer waren. Aan de zon te zien liepen ze richting het oosten, wat hun in principe uit de bergen zou moeten leiden. Waar ze precies waren wist hij echter niet, hij zag geen bekende bergtoppen en of dit beekje een zijrivier was van de grote rivier kon hij ook niet met zekerheid zeggen. Monniejj leek dit aan te voelen en zei: “Je hebt geen idee waar we zijn heh.” Snipert kreeg een knalrode kop die boekdelen sprak. “Ser Choqo had wel een betere man uit kunnen kiezen…” Dat was een stekende opmerking, mede omdat Snipert zelf ook het idee had dat dit de waarheid was. “Ja… maar hij had niet veel keus terwijl hij stervend langs de weg lag. En ook ik had ervoor kunnen kiezen het niet te doen. Ik doe dit niet voor m’n plezier…” Dat leek wel indruk te maken op het meisje. Vol schaamte antwoordde ze: “Sorry, daar heb je gelijk in. Maar weet je dan niet hoe je hierheen gelopen bent, dan kunnen we de weg misschien weer vinden.” Snipert keek even schaamtevol om zich heen. Hij had haar niet verteld dat hij onderweg gevangen genomen was door wildlingen. “Nee dat weet ik niet, kijk wat er gebeurde…” Hij werd onderbroken door het scherpe gefluit van een langsvliegende pijl. Hij keek om zich heen en zag boven hem Chiz op een rotsblok staan. “Daarom, weet ik het dus niet…” Ondertussen riep Chiz haar broer, die op gelijke hoogte van Snipert en Monniejj uit het gebladerde kwam lopen. “Kijk nou toch eens,” zei de grote donkere man. “twee voor de prijs van één! En voor al die moeite die je ons gekost hebt mannetje, mag je toekijken hoe je we je bandietenvriendinnetje opeten, voor we aan jou beginnen. Ondertussen klom Chiz behendig als een kat van de rotswand naar beneden. Snipert haalde zijn zwaard uit zijn schede en verborg Monniejj achter zich, als dit vechten zou worden, dan zou hij haar schild moeten zijn. Chiz was ondertussen beneden en inspecteerde haar prooi. Terwijl Marcel in gedachten al zijn vingers aan het likken was, viel haar iets op. “Bro… valt je hier niet iets op?” Marcel werd ruw uit zijn gedachten over geroosterde Sniperts gehaald door deze opmerking. “Wat sis? Wat moet me op vallen.” Chiz liep nogmaals in een boog rond Snipert en Monniejj. “Die jurk van dat wijf, hij is smerig, maar duur. Te duur voor een normale bandiet.” Beledigd antwoordde Monniejj zonder na te denken. “Ik ben geen vuige bandiet, ik ben een edele dame van het hof van de senaat!” Marcel lachte hard en zei: “haha die hebben we vaker… oh die heb ik eigenlijk nog nooit eerder gehoord.” Chiz ging naast haar broer staan en zei: “Misschien sprak hij dan toch de waarheid, en is hij toch geen bandiet…”

Terug in de hut was de sfeer duidelijk anders dan een paar uur daarvoor. “Sorry nog voor net, dat we je wilden opeten enzo. Bandieten zijn hier gewoon een redelijk groot probleem.” Snipert keek bedenkelijk en antwoordde: “Vertel mij erover, ik heb gezien wat ze aan kunnen richten.” Even keek hij naar Monniejj, die zich had kunnen opfrissen en zelfs wat kleding had gekregen van de broer en zus. Waarschijnlijk van een eerder opgepeuzelde bandiet, want Chiz en Marcel zelf liepen in kleding van dierenhuiden rond. Ze zag er nog steeds vermoeid uit, maar de kleren en het wassen hadden haar erg mooi gemaakt. Mooier dan de boerendochters uit zijn geboorteplaats Nes in ieder geval. “Ja we hebben er eens over nagedacht.” Begon Marcel, “En ik wil jullie aanbieden je de bergen uit te leiden. Om de bandieten heen.” Snipert was blij verrast met het aanbod, hij wist namelijk nog steeds bij myamoto niet waar hij was. “Serieus Marcel, we weten allebei dat je te lomp en te onvoorzichtig bent om ongezien langs de bandieten te komen. Ze horen je van mijlenver aan komen.” Marcel keek zijn zus boos aan. “Wat wil je dan, ze alleen op weg sturen?” Chiz lachte en antwoordde: “Haha, nee ik breng ze wel. En misschien ga ik wel even mee naar Frontpagia, ik heb wel leuke dingen gehoord over die plek.” Beteuterd keek Marcel naar beneden en zei zachtjes: “zul je net zien dat er een rapefest gaande is ofzo, ik mis ook altijd alle toffe feestdagen…”

Wordt Vervolgd

Dit artikel delen

Over de auteur