1. Aestas Inferna Part 4

Aestas Inferna Part 4

Iets verlaat omdat ik keihard aan het pilsen was. Heb ook geen spellcheck gedaan, dus dan weet je dat.

Een reis vol gevaar

De eerste stralen van de zon begonnen net met het verdrijven van de nachtelijke duisternis toen Snipert de deur opende van het kleine hutje dat Marcel en Chiz hun thuis noemden. Hij rekte zich uit en bukte bij het naburige beekje om wat water te drinken. Binnen waren zijn twee reisgenoten, Monniejj en Chiz bezig om de laatste voorbereidingen te treffen. In het beekje vond hij een steen die door het stromende water gladgeschuurd was. Een ideale wetsteen om zijn zwaard te scherpen. Vrouwen kennende zou hij nog wel even te tijd hebben om zijn zwaard te scherpen, en hij had een donkerbruin vermoeden dat hij voordat ze de poorten van Frontpagia zouden bereiken hij zijn zwaard nog wel nodig zou hebben. Hij ging zitten op een boomstronk en begon de steen met lange, gecontroleerde halen over het lemet te schuiven. Toen hij tevreden dacht te zijn met het resultaat testte hij de scherpte met zijn vinger, een korte pijnscheut later zag hij een dun straaltje bloed uit zijn vinger lopen. “Dat lijkt me scherp genoeg…” Dacht Snipert bij zichzelf terwijl hij zijn vinger in zijn mond hield om het bloeden te stelpen.

“Een ridder die zich snijdt aan zijn eigen zwaard, mijn boog is dus het enige wat ons zal beschermen op onze reis.” Snipert keek op van het onverwachte stemgeluid, een lachende Chiz stond achter hem. Snipert keek nog eens goed naar de meid waar hij de komende dagen mee naar de hoofdstad zou reizen. De donkerbruine huid van de wildlinge vond hij nog steeds bijzonder. Ze was minder donker dan haar broer, maar alsnog overduidelijk afkomstig uit het diepe zuiden van Igianië. Als ze daarom al niet opviel was het wel de kleding die ze droeg, als je het al kleding kon noemen. Het vel van een sabeltand tijger was over haar borsten en om haar taille gedrapeerd. De tanden van het beest tot een ketting gemaakt die haar nek sierde. Verder liep ze op blote voeten met slecht een reep van hetzelfde sabeltandtijgervel om haar enkels. Snipert had nog nooit zoiets gezien en hij vroeg zich af hoe Frontpagia zou reageren op de wildlingvrouw. “Als je net zo schiet als je toen je op mij richtte dan hebben onze vijanden helemaal niets te vrezen denk ik zo.” Antwoordde Snipert uiteindelijk. Chiz keek hem boos aan, maar barstte daarna in lachen uit. “Misschien heeft Monniejj nog verborgen vechtkunsten in haar mouw zitten, dan gaan we gewoon achter haar staan.” Snipert en Chiz begonnen te lachen totdat Chiz opeens een vreemde blik op haar gezicht kreeg en Snipert twee ijskoude priemende ogen in zijn rug voelde.

Toen hij zich omdraaide zag hij Monniejj staan, met een blik die zou kunnen doden. Snipert kreeg de kleur van een biet en stamelde: “oh euh…Monniejj… ik euhm…” Monniejj wachtte zijn gestotter niet af en draaide zich om. “Laten we vertrekken,” zei ze koud en afstandelijk, “we hebben nog een lange weg te gaan.” Snipert hield wijselijk zijn mond en volgde haar voorbeeld. Ze controleerden nogmaals hun uitrusting, watervoorraad en het weinige eten dat ze bij zich hadden en namen afscheid van Mortal Marcel. Terwijl Monniejj en Chiz al begonnen te lopen trok Marcel Snipert naar zich toe en fluisterde: “ Je zorgt dat je die twee veilig houdt ja, anders krijg je met mij te maken!” Snipert knikte vluchtig en maakte haast om zijn twee metgezellen in te halen. Marcels dreigement was overbodig, hij zou zorgen dat ze Frontpagia bereikten, wat er ook zou gebeuren.

De weg door de bergen was lang en zwaar, Chiz had weinig moeite met het doorkruizen van het terrein, maar zij was hier dan ook bekend. Voor Monniejj en Snipert kostte het enorm veel moeite om de rijzende en dalende bergkammen over te steken en zich een weg te banen door het dichte kreupelhout en messcherpe prikkelstruiken. Na een paar uur zweette Snipert zich al kapot en zat hij onder de schrammen. Ze hadden echter geen andere opties, de grote weg was volgens Chiz te gevaarlijk. Er lagen teveel bandieten op de loer en ze waren een gemakkelijke prooi. De hoeveelheid overvallen in de bergen was flink toe genomen en de aantallen van de bandieten ook flink gestegen. Terwijl Monniejj aan het klagen was over een steen in haar sandaal liet Chiz zich opeens vallen en gebaarde haar stil te zijn. Snipert liet zich ook vallen en krop naast Chiz, die onder een struik door aan het kijken was naar het dal wat voor hen lag. Toen hij hier doorheen keek zag hij voor zich een tentenkamp. Zo’n 15 tenten waren kris kras door de vallei opgesteld en er tussen was het een enorme bedrijvigheid van mensen, paarden, geiten en honden. “ Bandieten.” Fluisterde Chiz. “Het zijn nomaden, blijven nooit langer dan een paar dagen op dezelfde plek. Daarom kan jullie senaat ze ook niet stoppen, ze kunnen hen niet vinden. “ Snipert keek nogmaals goed door het tentenkamp en zag opeens een soort kuil, waarover een soort tralies van stevige balken gelegd waren. In de kuil zag hij een aantal gedaantes zitten. Twee bewakers hielden de kuil in de gaten. “ Wat is dat?” Zei Snipert terwijl hij richting de kuil wees. “ Gevangenen, waarschijnlijk overvallen op de grote weg.” Antwoordde Chiz. “Niets wat we voor hen kunnen doen, die zijn er geweest.” Snipert snapte dat ze niets voor hen konden doen, maar het zat hem alles behalve lekker. “ We moeten ze helpen!” Klonk het opeens van achter hem. Hij keek achterom en zag Monniejj met een vastberaden blik in haar ogen. “ Dat zijn onschuldige mensen en we zijn verplicht om wat te doen!” Chiz en Snipert wisselden een veelbetekende blik uit. “Monniejj…” Antwoordde Snipert uiteindelijk, “ We kunnen niets doen, we zijn met zijn drieën… Dat is een tentenkamp met meer dan 100 man. We zouden kansloos zijn.” Monniejj liet het er echter niet bij zitten. “ Snipert, je bent gerekruteerd als Moderator, een heilige ridder die de vrede in Igianië moet bewaren en het beleid moet uitvoeren in alle windhoeken van het rijk.” Snipert wist even niet wat hij moest zeggen, ze had een gevoelige snaar geraakt met haar uitbarsting. Zijn vader was misschien een arme aardappelboer, maar hij had eer hoog in het vaandel staan, iets wat hij zijn zoon ook geleerd had. Terwijl Snipert in stilte was met zijn gedachten hakte Chiz de knoop voor hem door: “ We gaan ons er niet mee bemoeien Monniejj, we zijn hier om jou veilig naar Frontpagia te brengen en meer niet.” Met een boos gezicht gaf Monniejj zich over.

De avond was ondertussen gevallen en de drie besloten om op de bergkam hun kamp op te zetten voor die nacht. Het was erg dichtbij het bandietenkamp, maar ze verwachtten geen problemen. Geen bandiet die zou verwachten dat er drie reizigers net naast hun kamp zouden slapen. Snipert kreeg de eerste wacht terwijl de dames gingen slapen. De dag was echt enorm inspannend geweest en Snipert vocht tegen de slaap. Hij begon te knikkebollen en moest zichzelf een aantal keer in het gezicht slaan om niet in slaap te vallen. Hij besloot zijn ogen drie seconden rust te geven, maar die korte tijd was genoeg voor hem om in een diepe slaap te verzeilen. Weer droomde de jongen van afgrijselijke zaken. De bebloede lichamen voor de senaat, het bloedige lichaam van zijn vader en zijn ouderlijk huis in vlammen. Daarbij zag hij ook het dode lichaam van Mortal Marcel en een hysterisch huilende Chiz. De droom eindigde weer met Monniejj die meegenomen werd door gedaantes zonder gezicht en weer werd hij tegengehouden door mannen in zwarte gewaden. Een van de gedaantes wilde net iets in zijn oor fluisteren toen hij badend in het zweet wakker werd. Even compleet gedesoriënteerd greep hij zijn zwaard en wilde uithalen, tot hij er achter kwam waar hij was en met wie hij was. Met een aantal diepe ademhalingen kreeg hij zich emoties weer onder controle en stond hij op om tegen een boom te gaan pissen. Hij liep langs Chiz die heel zachtjes aan het snurken was, net een spinnende kat. Toen hij langs de bedrol van Monniejj liep sloeg zijn hart echter over, die was leeg.

Terwijl Snipert zich een weg door het struikgewas vocht de vallei in waren zijn gedachten bij Monniejj. “ Ze moet het tentenkamp in gegaan zijn om die gevangenen te redden. Dat kan niet anders. “ Terwijl hij kampement naderde paste hij zijn snelheid aan om minder geluid te maken. Als Monniejj ook gevangen genomen was dan moest hij oppassen. De bandieten zouden nu meer op hun hoede zijn. Hij besloot zich langs de randen van het kamp naar de gevangenenkuil te bewegen. Het tentenkamp zelf was een stuk minder druk dan wat hij overdag vanaf de bergkam had gezien. Het grootste deel van de inwoners was gaan slapen en slechts een handjevol bandieten waren bij het grootste kampvuur aan het kaarten en hielden zich warm met brandewijn. “Als ze gepakt was dan zou het kamp niet zo rustig zijn.” Dacht Snipert geruststellend. Toen de gevangenenkuil in zicht kwam stelde Snipert zich achter een bosje op om de omgeving te verkennen. Opeens zag hij in het weinige licht dat de sterren hem boden een gedaante hurken bij de kuil. “Dat moet Monniejj zijn!” Dacht Snipert en hij sprong op. Zo snel als hij omhoog kwam liet hij zich ook weer zakken toen hij een onbekende stem hoorde. “Zo zo, moet je nou es kijken Ace! Iemand probeert onze gevangenen te bevrijden.” Al snel werd duidelijk waar de stem vandaan kwam, twee wachters waren bezig geweest met hun ronde en Monniejj aangetroffen. “Dat niet alleen Hutkoffer, het is ook nog een lekker wijf!” De bandiet die Hutkoffer genoemd werd hield zijn boog gespannen en gericht op Monniejj terwijl de ander, Ace, richting het meisje liep. Snipert was ondertussen een stukje dichterbij gekropen en zijn hart racete in zijn keel. Hij probeerde een manier te vinden om beiden mannen te overmeesteren zonder Monniejj in gevaar te brengen, maar er schoot hem niets te binnen. Ondertussen had Ace Monniejj geboeid en kwam Hutkoffer ook dichterbij gelopen om hun nieuwe gevangene eens wat beter te bekijken. “Dat is inderdaad een mooi stukje vlees, beter dan die ranzige wijven die hier normaal rondlopen. Daar zullen we flink wat lol mee beleven denk ik zo.” Snipert keek toe terwijl Hutkoffer zijn broekriem los maakte. “Hou jij haar eens goed beet Ace, dan zal ik haar eens laten zien wat een echte man met een meisje als haar doet.”

Zonder na te denken sprong Snipert overeind en riep: “Laat haar los ellendeling, of ik zal je eens laten zien wat een eervol man doet met een bastaard als jij.” De twee mannen keken verschrikt zijn richting op. Snipert hoopte dat zijn bulderpreek hen zou overhalen haar vrij te laten. Maar dat bleek een nogal naïeve gedachte te zijn. “Kijk nou eens, haar vriendje is ook gearriveerd. Regel jij dat even Ace, dan hou ik dat wijf wel even vast.” De bandiet genaamd Ace kwam op Snipert afgelopen en even raakte Snipert in paniek. Hij had vroeger met houten zwaarden gespeeld, maar hij was verre van een ridder of een vechtersbaas. Toen gebeurde alles opeens sneller dan hij bij kon houden. Monniejj trapte haar hiel naar de edele delen van de bandiet die haar in bedwang hield. Deze slaakte een pijnkreet en greep naar zijn kruis. Ace keek verrast achterom waarop Snipert bijna instinctief in actie kwam. Hij trok zijn zwaard en rende op de bandiet af. Deze keek net op tijd weer richting Snipert om de aanval af te slaan. De twee zwaardvechters deelden elkaar klap na klap uit, maar geen van de twee leek aan de winnende hand te zijn. Ondertussen was Monniejj in een verwoedde worsteling belandt met haar belager. Hutkoffer had zich door de pijn heen gebeten en was haar achterna gegaan. Vanuit zijn ooghoek ziet Snipert dit alles gebeuren.”Ik moet hier een einde aan maken.” Op dat moment werd het zwart voor ogen, hij viel met hernieuwde krachten aan. Ace begon er moeite mee te krijgen zijn aanvallen af te weren en het duurde niet lang voordat Snipert het eerste bloed deed vloeien bij zijn tegenstander. Ace greep naar zijn gewonde arm waarop Snipert zijn zwaard in de borstkas van de bandiet liet zinken. Ace stortte op de grond. Terwijl Snipert zijn zwaard weer uit de bandiet trok hoorde hij een stem. “Nog één stap en ze gaat er aan!” Voor hem ziet hij Hutkoffer staan, zijn dolk onder de kin van Monniejj. Een dun straaltje bloed loopt over de keel van Monniejj daar waar het mes haar huid al gebroken heeft. “Kut… Wat nu?”

Wordt vervolgd

Dit artikel delen

Over de auteur