1. Aestas Inferna Part 5

Aestas Inferna Part 5

Daar is ie weer!

De Troubadours

Snipert en de bandiet genaamd Hutkoffer stonden recht tegenover elkaar, gescheiden door Monniejj die door Hutkoffer met een mes bedreigd werd. Beide mannen schatten de situatie in, maar geen van beiden kon een manier bedenken om deze patstelling te breken. “Laat haar gaan, dan zal je niets overkomen.” Zei Snipert op indringende toon. De bandiet lachte en antwoordde: “Denk je dat ik gek ben? Als ik haar laat gaan eindig ik net als Ace daar.” Wat verder op lag de bandiet waar hij het over had. Ace had een onfortuinlijke ontmoeting gehad met het zwaard van Snipert. Hij lag nu zijn tevergeefs te vechten voor zijn leven. “En daarnaast, dit is mijn kamp, denk je in je eentje 100 man te kunnen verslaan?” Snipert wist dat hij niet blufte, hij had het tentenkamp de avond daarvoor gezien. Ondanks dat er onder die 100 man zich ook kinderen en vrouwen bevonden, wist hij dat hij zwaar in het nadeel was. Maar er klopte iets niet… “Daar heb je een punt, maar we zijn hier al een tijdje bezig, en ik heb nog niemand anders gezien dan jullie twee, is de rest uitgeteld van de brandewijn ofzo?” De bandiet hield wijselijk zijn mond en de stilte werd doorbroken door een snikkende, zachte stem. “Snipert, doe iets…” Monniejj had de dialoog tussen Snipert en de bandiet stilzwijgend aangehoord, maar verbrak haar stilte op een wijze die Snipert dwong om iets te ondernemen. Hij gooide zijn zwaard neer en stak zijn handen omhoog. “Ik geef me over.” Prevelde hij. Een doortrapte grijns verscheen op het gezicht van Hutkoffer, de greep over Monniejj verslapte en hij liet het mes zakken. Op moment gaf Monniejj hem een elleboog in zijn maag. Snipert greep naar zijn zwaard maar voelde opeens iets langs zich heen vliegen. Toen hij omkeek zag hij Hutkoffer omvallen, een pijl stak uit zijn rechteroogkas. “Chiz!” Riep hij uit in extase toen hij de wildlinge uit de bosjes zag stappen. “Wat zou je zonder me toch moeten?” Antwoordde de exotische schoonheid, “Kom laten we die gevangenen nou maar bevrijden en hier als de bliksem wegwezen!” Met vereende krachten tilden ze de balken van de kuil weg en hielpen ze de gevangen de kuil uit. De 4 jongemannen waren uitgehongerd en vermoeid, maar zeer dankbaar. Toen één van de mannen Monniejj in het oog kreeg liep hij direct op haar af. “Jonkvrouwe, uw schoonheid verblind zelfs de beste ogen.” Terwijl de man op een knie boog en haar hand kuste vervolgde hij: “De naam is Swiep, en ik sta tot uw dienst.”

Bij zonsopgang de volgende morgen hadden Snipert, Chiz, Monniejj en de vier mannen het tentenkamp van de bandieten al ver achter zich gelaten. Het was veilig genoeg om even te rusten, te eten en op krachten te komen. De nacht ervoor had niemand echt goed geslapen, dus toen Snipert neerplofte onder een grote eikenboom liet hij een gelukzalige zucht ontsnappen. Hij keek nog eens goed naar de vier mannen die zich bij hun gezelschap hadden gevoegd. Een groep troubadours op weg naar Frontpagia. Lieden die de elite vermaakten met hun muziek en gezang. Degene met het halflange zwarte haar en de ukelele heette RoccoW. Daarnaast had je ook Calamity en Limelight, die een vreemdsoortige gitaar met allerlei felgekleurde knoppen bespeelden. Snipert had nog nooit een dergelijk instrument gezien, maar hij was benieuwd wat voor muziek ze ermee konden maken. De laatste was Swiep, die zich de avond ervoor meteen voorgesteld had aan Monniejj. Hij bespeelde een grote trom en was sinds hij bij de groep gekomen was niet meer van de zijde van Monniejj geweken. Snipert was daar niet blij mee, maar wat kon hij er aan doen? Hij had de opdracht haar veilig naar Frontpagia te escorteren, welk mannelijk gezelschap ze er op na hield had hij niets over te zeggen. Iets wat Monniejj hem met zoveel woorden ook duidelijk had gemaakt toen hij er over begon toen Swiep even aan het wateren was. Chiz stond een stukje verderop de omgeving in de gaten te houden, zij was er niet blij mee dat de troubadours zich hadden aangesloten bij hun groep, maar had het onder protest toch geaccepteerd. Snipert had veel respect opgebouwd voor de wildlinge in de tijd dat hij met haar opgetrokken was, ze had zijn leven gered, maar dat was niet alles. Ze had een soort zelfvertrouwen waar Snipert alleen maar over kon dromen. Monniejj zat ondertussen een paar meter verderop onder een boom uit te puffen. Swiep zat zoals verwacht aan haar zijde en samen lachten ze eind weg om de grappen en grollen die Swiep uithaalde. Snipert betrapte zichzelf op een enorm jaloerse blik en keek weg. Recht in de ogen van RoccoW, die door had wat er speelde. Snipert stond met een grom op en liep een stukje verder om zijn blaas te legen.

Terwijl hij de laatste druppels afschudde en zijn lid weer in zijn broek deed merkte hij opeens de aanwezigheid van iemand op. Hij greep zwaard en draaide zich om, daar stond RoccoW. “Hooo wacht, ik ben het maar.” Riep RoccoW met niet zo’n hele mannelijke stem. Snipert liet zijn zwaard zakken en knikte naar RoccoW. “Sorry, ik ben een beetje gespannen.” Snipert liep langs RoccoW om hem te ruimte te geven om te pissen, maar de troubadour maakte geen aanstalten om naar de boom te lopen. “Ik zag hoe je naar Swiep en je vrouwelijke metgezel keek…” Geïrriteerd keek Snipert RoccoW aan, leuk dat hij dat zag, maar Snipert had geen zin om een wijf over zijn gevoelens te gaan praten. “Swiep doet dat wel vaker, als hij een leuke meid ziet dan vergeet hij alles om zich heen. Ook zijn manieren, vrienden en het feit dat hij bepaalde mensen dankbaar zou moeten zijn voor het redden van zijn leven.” Snipert keek de jonge ukelele speler aan en nam hem eens goed in zich op. Een eerlijk uitziende vent, concludeerde Snipert uiteindelijk. “Het maakt niet uit, Monniejj is niet m’n vriendin ofzo, ik ben haar escorte naar de hoofdstad, verder niets.” Een flauwe glimlach verscheen op de mond van RoccoW. “Oké, als jij het zegt.” Snipert negeerde de onderliggende boodschap van ongeloof en vertrok weer richting de rest van de groep. Daar gaf hij aan weer te vertrekken. De groep verzamelde hun uitrusting en volgde hem richting het noordoosten.

Een paar dagen later was de groep de bergen uit en wederom op de grote weg aanbeland. De situatie tussen Monniejj en Swiep was nog hetzelfde, tot groot ongenoegen van Snipert, maar hij slikte het gevoel maar in. Als hij Monniejj naar Frontpagia had begeleid zou hij haar toch nooit meer zien. En daarnaast stemde het feit dat een hooggeboren jonkvrouwe als Monniejj zich nooit in zou laten met een lage troubadour als Swiep hem ook blij. De tocht was sinds ze de bergen verlaten hadden een stuk makkelijker geworden, de grote weg die van Discussopolis naar Frontpagia liep was breed en geplaveid, en ze kwamen aanzienlijk sneller vooruit dan in de bergen. Snipert liep vooraan de groep met Calamity naast zich. Achter hen liepen Limelight en Roccow, gevolgd door Monniejj en Swiep en Chiz sloot het gezelschap af. Hij wilde net voorstellen even te rusten toen Calamity tegen hem begon te praten. “Waarom waren jullie eigenlijk in de bergen?” Vroeg hij. Snipert, Monniejj en Chiz hadden afgesproken de vier mannen niet te vertellen wie ze precies waren en waarom ze aan het reizen waren. “Dat hebben we al verteld toch, we zijn aardappelboeren, op zoek naar een plek waar we werk kunnen krijgen. Calamity keek hem aan met een ongelovige blik. “Toen we gevangen genomen werden door die bandieten, heb ik een aantal zaken opgevangen. Ze waren op zoek naar iemand toen ze ons pakten. Een meid die connecties had met de senaat. Volgens mij de dochter van iemand in de senaat ofzo.” Snipert hoorde het verhaal vol verbazing aan, het was toch toeval dat de bandieten de stoet van Monniejj en Ser Choqo aan vielen? Calamity vermorzelde die notie direct toen hij verder sprak. “Ze hadden een overval gepland op een koets vertelde één van de bewakers toen die iets teveel brandewijn op had. In de verwarring waren ze het meisje, dat het doelwit was, kwijtgeraakt. Sindsdien zijn ze naar haar op zoek, ze moeten haar ergens voor hebben.” Het hele verhaal verontrustte Snipert, hij verwachtte geen problemen op de verdere tocht naar Frontpagia, maar het feit dat de bandieten zich kennelijk georganiseerd hadden baarde hem zorgen. “En als ik Monniejj zo zie, dan lijkt zij mij eigenlijk iemand die een dochter is van iemand in de senaat, geen aardappelboer” Snipert keek de troubadour aan met een blik die elke twijfel die de troubadour nog had weg zou nemen. Calamity lachte en zei: “Dat dacht ik al, maak je geen zorgen, je geheim is veilig.”

De rest van de reis hield Snipert de man die Calamity heette nauwlettend in de gaten. Hij wilde hem geen mogelijkheid geven zich te scheiden van de groep en het verhaal te vertellen aan iemand die niet moest horen. Maar de troubadour leek geen intentie te hebben om dat te doen. Samen met zijn medemuzikanten gaf hij optredens in de verschillende herbergen en dorpjes die langs de grote weg lagen. De vreemdsoortige gitaren die Calamity en Limelight bespeelden maakten een geluid dat Snipert vreemd was, het klonk verre van natuurlijk en hij vermoedde dat de instrumenten bezeten waren door een soort magische kracht. Dat was echter niet echt van belang, de reis verliep vredig en de muziek en het gezang van de troubadours deden hem voor het eerst sinds die nacht met de koets weer een beetje veilig voelen. Verder had Swiep zijn aandacht ook verlegd van Monniejj naar de vele vrouwen die in de herbergen en dorpjes aanwezig waren. Deze waren een stuk makkelijk in bed te krijgen dan Monniejj kennelijk. Iets waar Swiep dankbaar gebruik van maakte. Dit had echter niet zo’n hele positieve uitwerking op het humeur van Monniejj, die nogal prikkelbaar werd elke keer als ze een dorpje in reden. Met Chiz had hij onderweg flink geoefend in het zwaardvechten. Chiz was niet zo goed in zwaardvechten als met haar pijl en boog, maar alsnog voelde Snipert dat hij flink vooruit ging. Ook hadden ze geprobeerd hem te leren om met de boog van Chiz om te gaan. Hier faalde hij echter jammerlijk in. Op een zekere dag had zelfs Monniejj de boog in haar handen genomen en een aantal pijlen in het doel geschoten. Toen ze de volgende dag met enorme spierpijn wakker was geworden had ze de boog echter niet meer aangeraakt.

De reis verliep voorspoedig en op een gegeven moment zagen ze de contouren van Frontpagia voor zich op doemen. De imposante zuidoostelijke poort lag recht voor hen en Snipert schatte dat het misschien nog een halve dagreis zou zijn voor ze de stad zouden bereiken. Hij dacht nog eens na over wat hij de afgelopen weken allemaal mee had gemaakt en was eigenlijk blij dat het allemaal snel voorbij zou zijn. Over een dag zou hij bij zijn oom Aiii zijn en een burger van Frontpagia worden. Chiz zou nog even blijven, Snipert had haar te gast uitgenodigd in het huis van zijn oom om even op krachten te komen. Ze zou waarschijnlijk nog iets van een week blijven voordat ze weer naar haar huis in het Wii gebergte zou gaan. Monniejj zou weer richting de heilige piramide gaan om zich daar bij haar familie te voegen. En waarschijnlijk zou hij haar nooit meer zien. Zijn vreugde sloeg opeens om en met een neergebogen hoofd vervolgde hij zijn weg. “Ik zal haar waarschijnlijk nooit meer zien…”

Wordt vervolgd

Dit artikel delen

Over de auteur