1. Aestas Inferna Part 6

Aestas Inferna Part 6

Vinden jullie het nog boeiend mensen? We beginnen nu een beetje aan het einde te komen van het eerste gedeelte, shit gaat binnenkort de fan hitten om zo maar eens uit te drukken.

De poorten van Frontpagia

De zinderende zomerhitte zonk als een als een vloedgolf op het gezelschap terwijl de zon langzaam in het oosten aan haar reis over de hemel begon. De poorten van Frontpagia waren ’s nachts gesloten en had het bonte gezelschap geen andere keuze gelaten behalve een slaapplek te zoeken in de herberg voor de poorten. Deze zat stampvol met allerlei mensen die naar de hoofdstad op weg waren, of er net vandaan kwamen. De troubadours deden hun ding en Snipert zat met Monniejj en Chiz aan een tafel in de gemeenschappelijke ruimte van hun ontbijt te genieten. Hun reis zat er bijna op, eenmaal door de stadspoorten zouden ze als eerste Monniejj afleveren in het hogere echelon van de stad, waar enkel de senaat en de elite zich mochten begeven. Daarna zouden hij en Chiz afdalen naar de zandbak, het echelon van het voetvolk en de middenklasse. Snipert had ooit eens van zijn vader gehoord dat de zandbak aan zijn naam gekomen was door het ontbreken van geplaveide straten, het was er altijd stoffig en zanderig. Snipert kende Frontpagia niet anders, hij was nog nooit in het hogere echelon van de stad geweest, de smidse van zijn oom Aiii bevond zich namelijk in de zandbak. Kennelijk werd het hogere echelon het marmer genoemd, omdat alle straten daar geplaveid waren met duur marmer uit de gebieden rond discussopolis. “Waar denk je aan?” Snipert werd ruw onderbroken zijn gedachtegang door de stem van Monniejj. “Oh aan mijn oom”, antwoordde hij. Monniejj kreeg een subtiele glimlach op haar gezicht. “Ik ben blij dat je in de stad blijft Snipert, dan ben je gelukkig niet zo ver weg. Dan kunnen we nog afspreken enzo.” Snipert vocht er tegen, maar kreeg toch een rode kleur, toen Monniejj dit zag werd haar glimlach een stuk groter. Chiz zat er nogal ongemakkelijk tussen en verbrak de stilte. “Laten we dan maar gaan, tortelduifjes.” Nu kreeg Monniejj op haar beurt ook een iets rodere kleur. De drie stonden op en begaven zich naar buiten.

In het daglicht waren de poorten van Frontpagia nog indrukwekkender, boven hen torende die vele meters uit. Snipert had meneer Buwalda ooit eens horen zeggen dat ze 100 meter hoog waren, maar vanaf hier leken ze nog wel groter. De soldaten die bovenop hun rondes deden waren niet meer dan kleine stipjes. Vol ontzag keek Snipert naar de lange ronde toren boven de poort terwijl zijn reisgenoten afscheid namen van de troubadours. Calamity had alsnog geen poging gedaan het geheim door te spelen, en nu zou hij daar geen tijd meer voor hebben, kennelijk was hij toch te vertrouwen. Hij schudde Limelight, Calamity en RoccoW de hand, hierbij gaf hij een Calamity nog een laatste betekenisvolle blik. Welke de troubadour beantwoordde met een laconieke glimlach. Swiep was ondertussen bezig met zijn uitzinnige afscheid van Monniejj, Snipert bekeek het met een sarcastische lach. Toen Swiep eindelijk klaar was met het bezingen van de schoonheid van Monniejj liepen Snipert en zijn twee vrouwelijke metgezellen over de brede ophaalbrug. De troubadours zouden hun geluk beproeven in één van de vele kroegen die Frontpagia rijk was, en als dit niet zou lukken zouden ze verder trekken naar de langzame babbel, een kroeg in de stad Offtopica die door heel Igianië bekend was. Terwijl ze onder de enorme poort doorliepen dacht Snipert terug aan wat Monniejj zei. “We zouden af kunnen spreken… ze snapt niet erg veel van de wereld.” Snipert wist dat er tussen de echelons van Frontpagia was zowel een fysieke als een symbolische scheiding bestond. Tussen die echelons bestaan geen banden, je blijft bij je eigen kaste. Hij had wel eens gehoord van senators die uit de gratie waren gevallen. Zo had je Vigilante, die vaker dronken in de zandbak rondliep dan dat hij in de heilige piramide met zijn werk bezig was. Na een tijdje werd hij dan ook uit zijn functie ontheven. En ook had Snipert wel eens geruchten gehoord van een senator genaamd Rano, die zo nu en dan in vrouwenkleding gespot werd in de meer onzedelijke delen van de zandbak. Maar een meisje als Monniejj… Snipert wist dat hij haar nooit meer zou zien zodra ze afscheid zouden nemen.

Net na de poorten was een enorm plein. Hier werden vaak markten gehouden of festiviteiten zoals het Eedrie oogstfestival. Waarbij koopmannen en boeren hun meest verse producten aanbieden. Even verder waren 2 poorten. Een open poort naar de zandbak en een dichte naar het marmer. De drie begaven zich richting de dichte poort. Twee wachters in een enorm harnas stonden vlak voor de poort. Toen Snipert ongeveer een meter van ze af was kruisten ze hun enorme hellebaarden, een soort combinatie van een bijl en een lans. “Tot hier en niet verder.“ Bulderde één van de wachten. “Alleen leden van de senaat of de elite mogen door deze poorten.” Monniejj stapte naar voren en legde het hele verhaal uit. De wachters luisterden het aan, maar barsten daarna in lachen uit. “De dochter van de kanselier? Jij? Maak dat de kat wijs.” Monniejj liep ondertussen rood aan van woede. “Ik ben wel degelijk de dochter van Jaylee, als mijn vader hoort dat jullie me hier tegen hielden, dan zal hij jullie een maand in de rode cellen van de piramide gooien.” De wachters leken niet onder de indruk van het relaas en Monniejj stormde boos weg. Snipert keek Chiz aan die vervolgens achter Monniejj aan ging. Snipert probeerde nogmaals de wachters te overtuigen van hun verhaal, maar het ging er niet in. Niet wetend wat zijn volgende stap zou zijn vertrok hij in de richting waar Chiz en Monniejj heen waren gegaan. “Hij vond ze in de schaduw van een marktkraam, Monniejj was ondertussen weer een beetje gekalmeerd. Toen Chiz hem in de gaten kreeg vroeg ze: “En nu? Ik heb niet het idee dat we op deze manier door de poort heen komen.” Snipert dacht even na en begon te lopen. “We gaan de zandbak in, naar mijn oom. Daar besluiten we de rest wel.”

Na een korte reis door de zandbak kwam het gezelschap aan bij de smidse van de oom Aiii. Er klopte alleen iets niet, de deur was open, maar er kwam geen rook uit de schoorsteen. Eenmaal binnen kwam Snipert er achter dat er niemand was. In de stal vond hij Skoda, de muilezel van zijn oom. Verder waren er geen tekenen van inbraak of iets anders wat op onraad zou kunnen duiden. Daarnaast was het voer van Skoda onlangs nog bijgevuld. “Hij is er denk ik even niet.” Zei Snipert uiteindelijk tegen Monniejj en Chiz.” Maak het jezelf gemakkelijk, ik ga even de buurt langs om te kijken of ze weten waar hij is. Na een korte ronde door de buurt kwam Snipert ter onverrichte zaken terug. Niemand had enig waar zijn oom was. Het gezelschap besloot de nacht door te brengen in het huis van oom Aiii, welke boven de smidse zat. Die nacht had Snipert wederom last van nachtmerries. Hij zag zijn vader, zijn brandende huis, een dode Marcel, dode moderators en het rottende met maden gevulde lijk van zijn oom. Ook zag hij Monniejj weer, meegenomen door bandieten terwijl mannen in zwarte gewaden hem tegen hielden. Net voordat hij weer wakker werd hoorde hij één van de mannen in de zwarte gewaden iets fluisteren: “Zij is niet waar het om gaat.” Badend in het zweet zat hij recht overeind. In het bed van zijn oom lagen Monniejj en Chiz nog stevig te slapen. Hij stapte van zijn bedrol af en daalde de trap af, de smidse in. Hij was nog verdomde moe, maar slapen zat er na die droom ook niet meer in. Hij pakte zijn zwaard en begon deze te scherpen met een wetsteen van zijn oom.

Snipert bleef hiermee doorgaan tot de eerste stralen van de zon door het raam in zijn ogen prikten. Boven hoorde hij gestommel, de meiden waren wakker. Terwijl hij zich af vroeg wat ze in godsnaam moesten doen om het marmer binnen te komen, kwam Chiz de trap af gelopen. “Al enig idee?” Snipert schudde met zijn hoofd en werd verrast door gebonk op de deur. Door het spiekgat zag hij een ridder staan, hij besloot het risico te nemen en de deur open te doen. “Wie ben jij?” Vroeg de ridder direct, “Ik ben op zoek naar Aiii, hij zou een zwaard voor me smeden.” Snipert herinnerde zich dat hij een zeer exclusief zwaard had zien liggen in de wapenkamer. Welke alleen betaald zou kunnen worden door een hoge ridder, een moderator. “Ik ben Snipert, Aiii is mijn oom. Wij weten ook niet waar hij is.” Ridder stapte langs Snipert de smidse in en bekeek Chiz van top tot tien. “En wat doet de neef van Aiii met een wildlingvrouw?” De ridder vertrouwde hen niet, wist Snipert, maar wat zou hij moeten zeggen. Zou hij over Monniejj moeten beginnen? “Dat is een lang verhaal”, antwoordde Snipert. “Ze heeft mijn leven gered op de weg van Nes naar hier, dus nodigde ik haar uit om haar te bedanken.” De ridder liep nog wat verder smidse in te kijken of er verder nog iemand was. “En jullie zijn de enige die hier zijn?” Snipert hoopte vanuit de grond van zijn hart dat Monniejj stil zou blijven. Hij wist nog steeds niet of hij deze ridder nu kon vertrouwen of niet. “Behalve Skoda, de muilezel, zijn we inderdaad de enige.” De ridder leek bij het horen van de naam van de ezel iets te ontspannen, alsof dat een teken was dat Snipert de waarheid sprak. “Oké… duidelijk… mijn zwaard, heb je enig idee?” Snipert knikte en liep de wapenkamer in om het zwaard te pakken. “Is het deze?” In zijn handen had Snipert een prachtig zwaard, zijn oom was misschien maar een smid in de zandbak, zijn vaardigheden waren bekend over de hele stad. Vele hoogstaande heren maakten soms eens een uitstapje naar de zandbak, puur om een bestelling te plaatsen bij zijn oom. Zo ook deze ridder, die een langzwaard besteld had. Het zwaard zelf was prachtig; een witgouden greep, ingelegd met edelstenen en een zwart glanzend lemmet van Glossiaans staal. “Een meesterwerk!” Sprak de ridder in bewondering van het zwaard. “Laten we hopen dat je oom snel terug komt, een dergelijke vakman moet nooit te lang verwijdert zijn van zijn blaasbalg en aambeeld. “Inderdaad heer, daar hoop ik ook op.” De ridder wilde net de deur uit lopen toen er van boven gestommel klonk. “Kut! Monniejj…” Dacht snipert bij zichzelf terwijl de ridder zijn net verworven zwaard trok en zich met een vloeiende beweging omdraaide.

“Verklaar u nader!” Snipert wist niet wat hij moest zeggen of doen. Deze ridder zou te sterk zijn, zelfs samen met Chiz. Een zwaard gemaakt van Glossiaans staal breekt op den duur elk normaal zwaard en een boog werkt niet op kleine afstanden. De verschillende scenario’s vlogen door zijn hoofd, maar elk eindigde in de dood van hem en Chiz. “Ik zei, verklaar u nader!” Snipert wist niet wat hij moest zeggen, zou hij gewoon de waarheid moeten vertellen, dat ze Monniejj, de dochter van de kanslier van de senaat hebben? “In de naam van Igianië, het land wat ik met huid en haar bescherm als ridder in de orde van de moderators, geef antwoord knaap!” Het zweet brak Snipert uit wanneer hij opeens een roze vlek in de hoek van zijn blikveld ziet. “Ser Raem?” klonk een zachte vrouwelijke stem opeens. Geschokt keek Snipert naar Monniejj, net als de moderator, welke met een verbaasde blik stamelde: “Nee… dat kan niet… Monniejj?”

Wordt vervolgd

Dit artikel delen

Over de auteur