1. In memoriam

In memoriam

Af en toe heb je gewoon pech. Je vriendin maakt het uit omdat je niet op tijd kwam opdagen, terwijl je daar niks aan kon doen omdat de buschauffeur spontaan overleed aan aids, of je krijgt een onvoldoende voor een proefwerk omdat je leraar het cijfer 8 voor een 2 aanzag. Nou, gisteren had ik ook zoiets, maar dan anders: fatale pech.

Wel, het begon allemaal zo: mijn hond had een grote kloppende anus, wat erop wijst dat ie kakken moet. Ik pak de riem, doe ‘m om bij Kees (de hond, red.) en loop vrolijk en vol goede moed naar buiten, mijn iPod aan en m’n koptelefoon op. Met een geweldige verzameling van post-rock, drum ’n bass en metalcore op mijn oren kon deze wandeling eigenlijk al niet meer stuk. Of wacht, toch wel.

Dus ik loop met mijn hond naar de velden langs het bos achter ons dorp, waar dat beest lekker kan rennen, achter de konijnen aanhollen en heerlijk zijn number two doen. Eenmaal daar aangekomen deed ik hem de riem af, zei: “Rennen, jij harig wonder, rennen,” en genoot van de omgeving. Hier en daar lag de dauw nog op de spinnenwebben, en sowieso is de geur van dennen in de ochtend gewoon heerlijk lekker. Kees spotte al gauw een konijnenhol, waaruit hij snel een trio van die knaagdieren joeg en achteraan ging. Intussen spotte ik iets anders: een halfvergane, lekke bal en aangezien ik toch vrij weinig te doen had besloot ik die bal een flinke schop te geven. Een volkomen gewone actie die in de meeste gevallen helemaal geen kwaad kan. Toch?

Terwijl ik doelbewust op die bal afstevende, spurtte Kees nog steeds achter een konijn aan. Normaal gesproken is zo’n flapoor binnen no-time die lamme, trage hond van mij kwijt, maar waarschijnlijk had dit konijn (die ik naderhand maar Johan heb genoemd, voor een reden die de wat intelligentere lezers zodadelijk zelf wel ontdekken zullen) obesitas ofzo, of myxomatose, of een andere snelheid en wendbaarheid verhinderende kwaal of zo. In ieder geval, ik had mijn linkerbeen al naar achtergehaald om eens flink uit te halen naar die bal, en Johan liep langzaam maar zeker uit op Kees. Mijn been was op de weg terug en Johan sprintte vol voor die bal langs. Ik zwaaide flink met mijn been door, raakte hem vol tegen het hoofd en hij vloog toch zeker zo’n vijftien meter door de lucht alvorens levenloos het gras te raken. Ik, Simon van den Broek, had een onschuldig konijn genaamd Johan vermoord.

Wut wut wut wut ging er door me heen, al snel gevolgd door een ontzet FUUUUUUUUUUUUU-. Ik liep naar de ontzielde Johan toe, die ik met zo’n formidabele wreeftrap geraakt had. Zijn rechtervoorpootje trok nog een beetje, en een gevoel van afschuw spoelde over me heen. Wat had ik gedaan? Waarom moest ik zo nodig die bal trappen? En waarom, wáárom, had ik ‘m niet met speciale Super Saiyan krachten kunnen redden of iets dergelijks? Een paar stille tranen rolden over mijn gelaat, terwijl ik Kees gebood om heel even te blijven zitten (het had me waarschijnlijk nog meer verdriet gedaan als hij Johan had opgegeten). Na een paar minuten verdoofd voor Johan’s karkas te hebben gestaan, besloot ik hem te begraven. Nu rust hij in een ondiep graf in het veld en hoop ik dat hij het beter heeft, waar hij nu ook zijn mag. Is hij nu in de hemel? Waakt hij nu over zijn konijnenfamilie? Wordt hij nu herboren als een moslim-neger uit Darfur? Ik weet het niet. Wat ik echter wel weet is dat ik sinds dat moment van leven en dood een pak meer respect en medeleven heb voor de arme, breekbare levensvormen die konijnen zoals Johan zijn.

Dit artikel delen

Over de auteur