1. De Schaduwsaga I: Verbanning

De Schaduwsaga I: Verbanning

Eens, in een land genaamd Igianië, hier ver, ver vandaan… leefde een jongen. Hij leefde in een rustig dorp aan de kust, waar nooit zoveel gebeurde. Het leven ging zijn gang en iedereen hielp elkander. De jongen echter niet. Deze knaap, van nog geen zestien zomers oud, werd gemeden. Alleen als het echt niet anders kon werd er met hem gesproken; hij leidde een eenzaam, verlaten bestaan. Hij was… anders.

Nu had deze vorm van anders-zijn nooit problematische vormen aangenomen, er was immers nooit iets aan de hand. Tot voor kort. Sinds een tijdje werd het dorpje aangevallen door woeste schaduw-wezens. Wolven, zo zwart als de nacht en waar de duisternis domweg uit de ruige vacht droop bedreigden het idyllische kustplaatsje en menig inwoner was al ten prooi gevallen aan hun donkere kaken. De jongen werd hiervoor verantwoordelijk gehouden. Zijn anders-zijn had zeker en vast dit onheil over het dorp afgeroepen en de burgemeester moest hier iets aan doen. Daarom riep hij alle inwoners op te verzamelen op het dorpsplein, waar aldus een beslissing zou worden genomen.

Burgemeester JJ. hield zijn toespraak: “Dappere inwoners, jullie kennen het afgrijselijke probleem waar ons dorp door wordt geteisterd! De schaduw-wolven vallen ons domein binnen om hun krachten van chaos te botvieren op ons! Dorpsgenoot Eend is al ten prooi gevallen aan hun woeste kaken en ook O Vet is ondanks zijn vetheid niet gespaard gebleven. Deze aanslagen op ons dagelijks bestaan hebben hun impact gehad! De neefjes van Karel willen niet meer eten en Karel zelf is hierdoor in een zware depressie geschoten waardoor hij spontaan tegen iedereen emo doet… Hier moet nu iets aan gedaan worden!” De inwoners van het dorp hadden zelf ook al in de gaten wat er aangedaan moest worden: de naam van de speciale jongen lag op ieders lippen… “Somin! Treedt voort!” beval JJ.

Een blonde jongen, gespierd en met een droevige uitdrukking op zijn knappe gezicht kwam naar voren. Een gewone, alledaagse jongen leek hij. Op één feit na: zijn nek was van epische proporties, toch wel minstens anderhalve meter lang! “Ja, burgemeester JJ?” vroeg hij schuchter. “Nekkie… We weten het allebei. Je trekt onheil aan, knaap. Die gestoorde nek van jou is een magneet voor de duisternis.” “M-m-ma-maar… wat moet ik dan?!” wenste Somin ontzet te weten. “Je moet het dorp verlaten, Nekmans!” zei Limoenlichtje., de rechterhand van JJ. “Ga weg, en keer hier nooit weer -” Voordat Limoenlichtje. zijn foute Scar-imitatie kon afmaken sprak JJ. “Ja Nekkie, we verbannen je. Daar zullen we niet onredelijk meedoen. We geven je proviand mee, een wapen en een paar stevige laarzen. Beproef je geluk ergens anders, Lange Jan, want hier gaat het jou en met name ons niet goed af.” De toon die JJ. probeerde aan te slaan hield hij zelf wellicht voor geruststellend, maar voor Somin klonken ze wreed in de oren. Voordat hij echter kon tegenstribbelen stapte Limoenlichtje. op hem af en nam hem mee naar de voorzieningshut, waar hij zijn bagage moest gaan pakken.

“Zo, je hebt je laarzen en proviand, nu kunnen we eens een wapen voor je uitzoeken. Zeg het maar!” bromde Limoenlichtje. Op het wapenrek voor hem lagen allerhande wapens: zware goedendags, scherp uitziende zwaarden, grote kruisbogen… noem maar op. Somin liet zijn blik over het arsenaal lopen en kwam tot een besluit. “Die bronzen bijl daar”, en hij wees. De bijl in kwestie was een groot wapen, met aan de ene kant een groot, gekarteld bijlblad en aan de andere een zware piek. Mocht het tot een gevecht komen kon hij de licht bepantserde vijand met het bijlblad de kop van de romp scheiden, bij tegenstanders met een zwaarder harnas kon hij de piek gebruiken om in de gaten tussen de verschillende stukken te slaan. “Geen slechte keuze,” zei Limoenlichtje. op een vreemde toon, alsof hij zijn mening bijstelde over Somin. “Nu, eet je laatste maal hier in het dorp, dan kan je op weg.”

Somin zat aan tafel, en voor het eerst in zijn leven ervoer hij hoe het was in de belangstelling te staan. Iedere dorpsbewoner, van Lucatony tot en met de depressieve Karel maakte een geforceerd praatje met hem, waarbij iedereen wel een opmerking maakte over zijn nek. “Ja Nekkert het wordt lastig, gelukkig kan je het gevaar al van veraf zien. ZIEN. Met je nek.” “In ieder geval hoef je niet bang zijn voor struisvogels en giraffes Nekkie, die zien je aan voor een soortgenoot.” De grappen deerden hem niet; hij had de beste maaltijd van zijn leven en hij praatte met mensen! Vooral met de knappe Silvana converseerde hij er lustig op los: zij was de enige die ongedwongen een babbeltje met hem maakte en hij voelde zich er dan ook redelijk verlegen bij. Maar op een gegeven moment was het toch tijd: hij moest naar zijn bed om bij de volgende zonsopgang het dorp uit te worden gekicked. Geen prettige ervaring om daar naar toe te leven. Met moeite wist hij zichzelf in slaap te sussen, terwijl het gezicht van Silvana nog steeds door zijn hoofd spookte.

Een haan kraaide en er werd hard op de deur gebonkt. “Goodmorning sunshine, uit je bed! Zorg ervoor dat je je kop niet stoot als je door de deur loop Nekmans!” Hij kleedde zich aan, hing zijn bijl op z’n rug en probeerde er niet al te wanhopig uit te zien. Begeleid door het hele dorp (wat een metonymia is want een dorp in de letterlijke zin kan niks en niemand (wat een tautologie is) begeleiden) werd hij naar de weg naar het Oosten geleid. Daarvandaan kwamen de wolven; daarheen stuurden zij degene die daar verantwoordelijk voor was. Hij probeerde zich op te vrolijken door te bedenken dat hij op een groots en episch avontuur ging, en hij neuriede de titel-song van Pokémon. I’m gonna be the very best hield hij zichzelf voor. De mensen zeiden hem voor het laatst vaarwel, en Silvana liep op hem af. Met slechts een klein beetje weerzin op haar gezicht trok ze zijn gezicht naar beneden en gaf hem een kusje op zijn wang, waarop hij een diep bordeauxrood kleurde. “Vaarwel,” sprak ze tot hem. Somin probeerde nog iets terug te stamelen, maar het lukte niet. Zijn stembanden deden het niet (wat op zich raar is als je zulke stembanden hebt!) en hij draaide zich maar snel om. Met een hip gebaar wenste hij hen vaarwel.

Nu was hij pas écht alleen. Op het gefluit van wat vogels en het tinkelen van een beekje na was het volstrekt stil. Hij had geen flauw idee waar hij heen moest. Hij volgde gewoon de weg. Op een gegeven moment zag hij echter iets vreemds. Op een splitsing waarbij je op het ene pad richting Offtopica, het beruchtste misdaadshol van Igianië, liep en de andere kant op richting de hoofdstad Frontpagia, waar de Senaat zich zetelde, was nu nog een extra pad te vinden. Een zilveren pad, geborduurd in spinnenwebben, liep richting het noord-oosten. Gedreven door nieuwsgierigheid koos hij deze weg, benieuwd waar die hem zou brengen.

Al gauw werd het pad geflankeerd door een grote hoeveelheid bomen. Enkel het pad was nog zichtbaar en het was helemaal stil. Zelfs niet het gejammer van dieren of het geruis van bladeren in de wind. Enkel de doffe voetstappen van Somin die keer op keer op het zilveren pad ploften. De zon ging onder. Voor hem lag eindelijk een open plek. Niet te groot, gewoon een plaats waar niks was, met aan de uiteinden twee wegen. Somin zette een stap deze plek op en… een plof en een grauw! Achter hem was een schaduw-wolf neergesprongen die hem dreigend aankeek en zijn machtige tanden ontblootte. Toch zag het er niet uit alsof hij hem ging aanvallen. Boven het gegrom klonk nog een geluid uit: het geroffel van een grote stoet die met duizelingwekkende snelheid aan de andere kant naderde. Snel trok hij zijn bijl, in afwachting wat er zou gebeuren. Aan de andere kant van de open plek stormde nu een andere groep wolven aan, onder leiding van een man op een nachtmerrie. Ook deze man was pik- en pikzwart. Hij snelde op hem af, al brullende: “Komaan jongens, dan gaan we hem eens een knallende assrape geven!!

Dit artikel delen

Over de auteur