1. De Schaduwsaga II: Gevangenschap

De Schaduwsaga II: Gevangenschap

“Komaan jongens, dan gaan we hem eens een knallende assrape geven!!” De zwarte ridder denderde op Somin af. Zijn sabel getrokken en uit alle macht brullend, gaf hij zijn paard nog eens de sporen. Somin hield zijn bijl paraat, maar op het laatste moment bedacht hij zich dat hij geen flauw idee had hoe dat ding te gebruiken, en hij bedacht iets anders. Gebruik makend van de lengte en kracht van zijn nek gaf hij de zijn duistere vijand een daverende kopstoot, die met een kwaad “GODNONDEJU” uit zijn zadel gleed. De wolven schrokken; ze vormden snel een cirkel om hem heen en besprongen onze held één voor één. De eerste verraste hem bijna: hij kwam verrekte dichtbij en Somin moest dan ook snel slaan om zich te verdedigen en zijn haast sloeg hij de wolf vol op zijn kruin, waarbij hij in zijn haast de platte kant gebruikte. Het schaduwbeest zakte naar opzij, volkomen versuft en met zijn tong uit zijn bek. Somin hakte en kapte, sloeg en stak, maar intussen zat de zwarte ridder ook niet stil. Hij gebood de wolven afstand te nemen en hief zijn sabel. “Zo, snotjoch met je giraffenek, nou zullen we eens zien,” gromde hij verbolgen.

Anderhalve dag later werd Somin dan toch wakker met een gigantische buil op zijn kop en een shitload aan sneeën en blauwe plekken. Achter gitzwarte tralies bevond hij zich, samen met een zo te zien al paar dagen dood schaap en een homp oud brood. Voor hem patrouilleerde een bewaker, een zwarte vrouw met een dito harnas aan. Ze had hem nog niet opgemerkt. “O yeah, o yeah, kill al the white men,” neuriede ze in zichzelf. Somin ging verzitten; iets waar hij meteen spijt van kreeg toen een paar van zijn sneeën weer open gingen. Hij siste van de onverwachte pijn. “Zo knullemans, wakker?” vroeg de bewaker. Ze keek hem aan met een kwaadaardige schittering van plezier in haar ogen. “Je hebt Heer Marcel flink wat ongenoegen bezorgt, Nekmans. En ja,” ze pauseerde voor wat extra effect, “dat gaat je spijten. Héél erg spijten.” Somin deed zijn ogen dicht en vloekte in stilte. Waar was hij nu weer in beland? Verbannen, gevangen en zo dadelijk hoogstwaarschijnlijk gemarteld en vermoord – het zat hem niet erg mee! “Pardon mevrouw,” begon hij, maar de bewaakster kapte hem gelijk af. “Chiz is het. Chiz. Het begin en einde van jouw grootste nachtmerrie, zo gok ik.” Hij probeerde het nog eens. “Hoe dan ook, Chiz. Kunnen jullie me dan in ieder geval uitleggen wat jullie van plan zijn met mij en de streek die jullie hier aan het terroriseren zijn? Je zal het vast niet geloven, maar jullie duistere fucktards hebben me gigantisch veel last bezorgd. Dus wat is er hier in Rano’snaam aan de hand?” Chiz kneep haar ogen tot spleetjes toen ze hem aankeek en grijnsde. “Oh yeah, oh yeah, kill al the white men,” zong ze weer zachtjes voor zich uit.

Somin plofte neer op de grond. Nadat hij een dag of twee – moeilijk te zeggen hier in dit donkere cachot – had Chiz hem bij zijn nekvel gepakt – waar overigens genoeg vel zat! – en meegesleurd naar iets wat hoogstwaarschijnlijk een troonzaal was. Kwaad omhoog kijkend zag hij een man op een troon zitten. Angst vervulde hem; de man voor hem had zo een kwaadaardig aura om zich heen, het kwaad spoot gewoon uit zijn poriën. Volledig in een vakkundig gesmeed harnas en met een zwart, duivels uitziend masker op zag hij eruit als iets wat rechtsstreeks uit de duistere krochten van het Fototopic deel III had kunnen weglopen. Naast hem stond zijn eerdere vijand, de zwarte ridder, Heer Marcel. Hij zag er nietig uit in vergelijking met de kwaadaardige verschijning naast hem. Somin richtte zich op, maar werd meteen in zijn nek geslagen door Chiz. “Kniel, inferieure langgenekte dwaas!” sprak ze hem woedend toe. De duistere man keek hem aan en begon te spreken met een trage, buitenaardse stem. “Zo, dus dit nietige wezen waagt het voor mij te staan, als een gelijke? Dat… is dwaas.” De rillingen liepen over Somin’s huid, als geagiteerde mieren die vluchtten voor een aanstormende miereneter. “Waarom is dat zo dwaas, jij zwart stuk tuig?” antwoordde hij hem uitdagend. “Wel, omdat ik je in één vingerknip kan vernietigen,” zei de duistere entiteit voor hem nonchalant. “Ik ben de leider van dit illustere gezelschap hier. Wij hier zijn mannen en vrouwen met één en hetzelfde doel: onze oude en machtige god wederom tot leven te wekken. Als nietige gevangene mag jij me meneer noemen, of de Zwarte Keizer, of awesome. Mijn naam is Nox.”

“Nox? Nacht in het Latijn? Tss, dat is zo cliché.’ zei Somin, niet onder de indruk. “En jullie willen een kwaadaardige en machtige god tot leven wekken? Wel, veel succes. Maar is het dan ook per se nodig om de streek te plunderen en zo? Just saying.” Dat was kennelijk niet de manier om met Nox om te gaan. “Zwijg, jij wit stuk schorem!” donderde hij. “Wij, de nobele organisatie Sanguis Negro, zullen onze god tot leven wekken en de hele wereld zegenen met zijn aanwezigheid!” Somin liet het maar om te zeggen dat een naam als Sanguis Negro – ookwel Zwart Bloed - gewoon te ghey was voor woorden en vroeg maar iets anders. “Zegenen met de aanwezigheid van jullie god? En wie mag deze “god” dan wel wezen eigenlijk?” Nox zuchtte tevreden. Deze kruising tussen een mens en een struisvogel, of zo leek het althans, stelde eindelijk een zinnige vraag. “Onze god? Je kent hem vast wel.” Hij keek Somin doordringend aan en toen… “Notty.”

Wat? Ze probeerden Notorious, de duistere god uit de sagen van vroeger dagen weer tot leven te wekken? Nottyham, die Igianië binnen gevallen was en onnoemelijk veel leed had aangericht? “Dat is afgrijselijk!” flapte Somin eruit. “Nee,” zei Nox ijzig. “Niemand weet waarom de grote Notorious Igianië binnenviel, niemand weet wat door de IGF Elite allemaal in de doofpot is gestopt. Wat is er allemaal gebeurd bij de slag om Zuid-HSJ? Was Heer Tidow wel echt een verrader, of kwam hij enkel achter de waarheid en leugens achter de hele IGF Piramide? Nou, wij weten de waarheid en die gaan we verspreiden ook, zodra we onze god weer terughebben. De tegenstand zal sidderen voor ons, maar we zullen vredelievend en lief zijn voor degenen die zich bekeren.” Somin vond het op zijn minst curieus te noemen: “En waarvoor is het dan nodig om het land te plunderen en terroriseren. Je zou het misschien niet denken dude, maar als je iedereen doodt en zo zijn mensen over het algemeen niet zo blij met je.” Maar ook daar had de geheimzinnige Nox een antwoord op. “Zoals je weet is niet iedereen het met ons eens wat de geschiedenis betreft. We hebben zo onze vijanden. We - ” Een oorverdovend tumult stoorde Nox in zijn relaas. Een gerommel klonk van bovenaf; het dak bezweek.

Een lawaaiig bombardement van dakpannen en stenen volgde. Een gigantische stofwolk woei op en alles en iedereen werd aan het zicht onttrokken. Ik moet hier weg, weg van al dit dawze gelul over duistere goden en de geschiedenis die verdraait is! Dacht Somin paniekerig. Met tranende ogen van het stof probeerde hij deze waanzin te ontvluchten. En toen: vormen, die zich door de wolk bewogen. Snel en behendig sprongen en renden er figuren door de chaos van stof en puin heen en al gauw klonken er kreten van pijn: kennelijk vielen deze vormen de duistere organisatie aan! Even later bulderde een stem: “Komaan dudes, terugtrekken! En neem die kerel daar met z’n huge-ass nek maar mee!” Sterke handen trokken Somin omhoog, terwijl hij het gat in het dak in werd gehesen. “Missie geslaagd dames en heren,” bromde een bruin-harige jongeling achter hem. De rest reageerde met een enkele, oorverdovende kreet:

VIVA LA RESISTAAAAAANCE!

Dit artikel delen

Over de auteur