1. Appeltaart

Appeltaart

Tik. Tik. Tik. De vingers gaan als een razende tekeer op het toetsenbord. Wat denkt die kloot wel niet? Hij zal het zeker weer juist hebben. Hij heeft weer gelijk en ik ben weer de schlemiel. Weer is hij me te goed af. Waarom zou ik luisteren naar een jongen die iets met het leger wil, stoer denkt te zijn, maar niemand kan krijgen vanwege zijn afschrikwekkende uiterlijk en innerlijk. Een figuur van zeventien dat is blijven hangen in… ja, welke periode van ons leven eigenlijk? In ieder geval past hij in de slechte komedies met Amerikaanse taarten in de hoofdrol. Het enige waar hij aan denkt is het nemen van iemand in plaats van iemand te houden. Een dom figuur die alleen zijn geslachtsdeel achteraan loopt en die bij het lelijkste figuur al in een stand komt van opwinding. Deze meneer denkt mijn relatie en afspraken te kunnen regelen en wat ik moet doen tijdens deze afspraakjes. Ja, dag!

Bam. De deur valt dicht. De fiets wordt ruig uit het rek getrokken en druk stoempend zet ik koers naar zijn huis. Verassend rustig en kalm zet ik de fiets tegen de muur aan – wellicht om energie te besparen – en loop ik naar de deur en zijn deurbel toe om aan te bellen. ‘Woef! Woef!’, klinkt het. Een teken dat de bel werkt en iemand heeft opgemerkt dat er iets bij de deur is. De deur gaat open en hij staat zelf voor de deur. Klap! Bam! Klets! Drie raak uitgedeelde slagen in zijn gezicht. Met enkele bloedende wonden zakt hij in de deur opening in elkaar. Met een ruk draai ik me om en woedend fiets ik richting het station. Iets vervoerd mij nu en ik heb geen controle meer over mijn eigen lichaam. Het lijkt zelfs afgesproken dat ik naar het station fiets want de bus staat al klaar en ik kan zo instappen. De bliep weerklinkt door de bus en van de chauffeur mag ik doorlopen verder de bus in.

Met mijn muziek op de oren staar ik razend naar buiten. Op het moment dat mijn woede plaats begint te maken voor verdriet moet ik overstappen op ’t lelijkste busstation van Nederland. Daar ga ik weer met een bliep de bus uit en vervolgens met eenzelfde bliep een andere bus in. Een echte streekbus die me door de meest afgelegen plekken van de provincie zal voeren. De bus rijdt weg en gaat op pad naar zijn eindbestemming, waar ik niet aan toe zal komen.

Ondertussen biggelen de tranen over mijn wangen. Spijt heb ik dat ik deze daad alleen maar heb gedaan voor haar. Ze is het niet waard om zulk geweld toe te staan, dat is niemand, maar zeker zij niet. Spijt heb ik zeker niet van mijn actie tegenover hem. Razend ben ik dat hij denkt mijn leven te kunnen bepalen, niet alleen op deze dag maar al enkele jaren gaat het zo. Ik laat mijn gevoelens in de bus de vrije loop en staar naar buiten, waar ik groene weilanden afgewisseld zie worden met boomkragen die de weilanden een natuurlijke indeling geven. Ik droom weg in mijn verdriet en hierdoor vergeet ik bijna op het stop-knopje te drukken van de bus. Gelukkig gaat het zeurende geluid door de beus nadat iemand op het knopje heeft gedrukt. Ik wandel de bus uit en vervolg met de benenwagen mijn weg naar de eindbestemming van deze reis.

Tijdens dit ritje zijn de gevoelens afgezakt en ben ik rustiger geworden, toch blijft er een leeg gevoel achter. Rustig stap ik het erf op en bel ik aan bij de deur, een normale deurbel en geen elektronische hond in de vorm van een doorsnee deurbel. Ze doet zelf open en het blijft stil tussen ons. We kijken elkaar aan en zonder dat ze precies weet wat er aan de hand is, weet ze dat er wel wat ergs gebeurd moet zijn. Samen lopen we door de gang en komen we bij haar kamer. Nog steeds is er geen woord gezegd.

Ik plof neer op de rand van haar bed en ze komt naast me zitten. Ze slaat een arm om me heen en ik leg mijn hoofd op haar schouder. Normaliter hoort het andersom te zijn, maar dit is geen film bedenk ik me. Zo blijven we zitten voor een kwartier, of wat het ook maar precies is geweest. En juist door geen woord te zeggen, maar haar aanwezigheid begin ik me goed te voelen. “Moet je een kop thee”, vraagt ze. “Graag”, komt er uit mijn droge mond. “En heb je er ook nog wat lekkers bij toevallig?”. Zonder antwoord te geven stapt ze de kamer uit en loopt naar de keuken. Ondertussen ruik ik een herkenbare en overheerlijke geur die afkomstig lijkt te zijn uit de keuken waar zij is. Ik hoor haar terug komen met zachte voetstappen en ze komt de kamer weer binnen met een dienblad. Hierop staan twee koppen thee en een schaaltje met eigen gemaakte en sterk ruikende appeltaart. “Alsjeblieft, hier is je lekkers” En een verlegen zoen op zijn wang volgt.

Dit artikel delen

Over de auteur