1. Aestas Inferna Part 12

Aestas Inferna Part 12

Jaja daar zijn we dan. Het duurt even, maar dan heb je ook wat. De finale van Aestas Inferna. Hoe zal het allemaal aflopen? Dat lees je hieronder!

Part 12: De slag om Frontpagia

Snipert keek Karel na en draaide zijn hoofd weer richting de rokende stad. Hij gaf zijn paard de sporen en trok behoedzaam op naar de poorten. De geur van bloed, zweet en rook hing in de lucht, Snipert had grote moeite zijn paard in bedwang te houden, die wilde niets anders dan Karel volgen, weg van dit oord. Eenmaal bij de poort aangekomen zag Snipert een aantal dode reuzen liggen. Maar dat wilde hij niet zien, dat zat in zijn droom. En hij wilde niet dat zijn droom uit zou komen… die mocht die uitkomen! Snipert steeg van zijn paard af en liep tussen de enorme lijken door naar de versplinterde poort. Overal om hem heen lag hard geworden pek en overal in de grond staken pijlen. Sommigen van de reuzen leken net stekelvarkens door al die pijlen. “Ze hebben in ieder geval terug kunnen vechten en de poort kunnen sluiten.” Zie hij tegen niemand in het bijzonder.” Binnen de stadsmuren hoorde Snipert rumoer, op de grond vond hij naast een lijk een lang stalen zwaard. Zeker niet zo’n geweldig stuk staal als zijn zwaard van Illyrisch staal, maar het zag er nog redelijk goed uit. Het plein waar hij maanden geleden binnen gekomen was met Chiz en Monniejj leek in niets op dat uit zijn herinnering. De stenen waren roodgekleurd van het bloed en overal om hem heen was de dood. Er werd niet meer gevochten, hier en daar waren sommigen nog bezig te sterven, maar meer niet. Opeens hoorde Snipert iemand naar hem roepen. Al snel zag hij waar het vandaan kwam, een man met een gouden harnas en besmeurde donkerrode mantel probeerde een stuk verder op zijn aandacht te trekken. Toen hij dichterbij kwam besefte hij dat hij met één van zijn broeders te maken had. Ser Jalf had een speer van anderhalve meter lang dwars voor zijn borstkas. Het was Snipert duidelijk dat hij ging sterven.

“Jongen, alsjeblieft, geef me de genadeslag. Die hufters van een bannelingen lieten me hier liggen om te creperen.” Snipert kwam dichterbij en onderzocht de speer, tot zijn afschuw had deze zijn broeder compleet doorboord. Hij zou hem niet meer kunnen redden. “Ser Jalf..” De stervende moderator keek hem opeens aandachtig aan. “Ser Snipert… Toch?” Snipert knikte. “We dachten dat je samen met Ser Orange gestorven was. Toen jullie niet meer terugkwamen, en de aanval vanuit het Noordoosten…” Ser Jalf begon te hoesten waarbij enorme hoeveelheden bloed mee kwamen. “Rustig ser,” zei Snipert zacht. “Wat is er gebeurt.” De moderator nam even de tijd om weer op adem te komen en stak van wal: “Toen we de horde zagen, wisten we hoe laat het was. De Moderators en de stadswacht sloeg de armen ineen en we begonnen ons voor te bereiden.” De moderator ademde zwaar, zijn ogen vielen zo nu en dan dicht en hij begon een beetje te trillen. “We hebben ze twee dagen tegengehouden voordat de poort viel… Vanochtend…” Snipert kreeg ergens weer hoop, het was nog niet voorbij. Misschien hadden de rest van zijn broeders nog wel een kans. “Ik werd door een speer geraakt, dat de grote Miyamoto die verdomde reuzen mag vervloeken. Hoe moet een man daar kans tegen hebben?” Jalf braakte bloed en andere dingen uit. Snipert probeerde te bedenken wat hij moest doen, maar Ser Jalf onderbrak zijn denkproces. “Pak mijn zwaard en mijn helm, en ga onze broeders helpen Snipert, voor mij is het te laat.” Snipert pakte het Illyrische zwaard en de gouden helm van Ser Jalf. Het zwaard had een aparte kleur, in het ene licht leek het net paars, in het anders gitzwart. “Het zwaard heet Nachtschade, het is al vele jaren in het bezit geweest van mijn familie… gebruik het, je weet hoe en wat.” Snipert nam het zwaard in zijn handen. Het voelde perfect, de balans was geweldig en het sneed zowat door de lucht. Snipert keek Jalf aan en de zwaargewonde Moderator wist een glimlach op te brengen. Met betraande ogen liet Snipert Nachtschade neerkomen op de borst van zijn vroegere eigenaar. Hij hoefde niet eens door te drukken, het zwaard doorkliefde staal, bot, vlees en hart zonder ook maar een beetje moeite. Terwijl Jalf zijn laatste adem uitblies dwong Snipert zichzelf weg te lopen. Zijn benen trilde en zijn wangen waren nat. Maar hij mocht niet toegeven, hij moest verder.

De rechtstreekte poort naar het marmer was vernield en er was geen manier om zo naar de Heilige Piramide van de senaat te komen. Snipert had dit al gezien in zijn vele dromen van deze dag, en besloot de zandbak in de gaan. Hij liep door een aantal dunne straten en hoorde opeens een kreet. Rechts van hem kwam een man in haveloze kleding met een strijdhamer in zijn handen op hem afgerend. Snipert wierp Nachtschade op en scheidde de hamer, inclusief de hand van de rechterarm van de man. De banneling stond verdwaasd naar de stomp te kijken terwijl Snipert nogmaals uithaalde en de maag van de man open legde. Ingewanden drongen door de diepe snee heen en de banneling viel op zijn knieën. Snipert hoorde de man om genade smeken. “Geen genade, die hadden jullie ook niet voor Jalf.” Opeens herkent Snipert een straat en rent er in. Een honderd meter verderop zag hij in verte de smidse van zijn oom Aiii. Vanuit de verte werd duidelijk dat hier nog hevig gevochten werd. Een tiental mannen van de stadswacht verdedigde een bres in de muur naar het Marmer. De bannelingen overmanden hen tien tot één, maar de stadswachten leken zich staande te houden. “Discipline wint het altijd van aantallen.” Herinnerde Snipert zich één van de lessen van zijn mentor, Ser Orange. Snipert stortte zich in de achterhoede van de bannelingen en begon woest op hen in te hakken. Aangespoord door de geur van bloed, de adrenaline en de pure chaos om hem heen voelde Snipert iets vreemd over hem heen komen. De wereld leek te vertragen en er bestond niets anders dan hem, zijn zwaard en de man die tegenover stond. Zijn bewegingen werden één vloeiende lijn en het leek meer op een dans dan de bewegingen die hij tijdens hun lange reis van Ser Orange had geleerd. De dans des dood, bloedlust. Hij had er over gelezen, maar het was niets zoals hij nu het nu ervaarde. Of er uren verstreken waren of slechts minuten wist hij niet, maar uiteindelijk stond hij alleen, omringd door lijken.

“Snipert!” Een bekende stem deed hem weer van zijn omgeving bewust worden. Voor hem zag hij een bekend gezicht, een donkere schone gekleed in tijgervellen, in haar handen rustte een benen boog van zo’n anderhalve meter lang en om haar nek hing een ketting gemaakt van leeuwentanden. “Chiz!” riep hij uit. De twee omhelsden elkaar kortstondig voordat Snipert begon met zijn vragen. “Wat is er gebeurt? Hoe kom je hier? Waar is Monniejj? Bij het horen van die naam leek Chiz ongemakkelijk te worden. “Ik ben haar in de chaos kwijtgeraakt, toen we hoorden dat Frontpagia aangevallen werd zijn we naar het huis van de kanselier gegaan. Ik heb die onzinnige jurk uitgetrokken en mijn boog weer gepakt. Toen ik weer beneden kwam waren de kanselier en Monniejj weg. Volgens de hulp meegenomen door de Moderators. Sindsdien ben ik aan het vechten…” Snipert luisterde bedenkelijk en probeerde zijn aandacht erbij te houden, die aan het verslappen was sinds hij hoorde dat ze niet wist waar Monniejj was. Hij moest haar vinden! ”Toen zag ik hier de schermutseling met de stadswacht, en ik besloot te helpen. Het duurde even voordat ik besefte dat jij midden in die meute bannelingen stond te vechten. Sinds wanneer ben je in godsnaam zo goed?” Snipert glimlachte flauw en gaf aan het niet te weten. De twee besloten samen verder te zoeken naar Monniejj. Ze wilden vertrekken maar opeens sloeg Chiz een kreet. Snipert keek verbaasd en voelde opeens een harde tik tegen zijn helm. Toen hij uit de schouder van Chiz een pijl zag steken werd hem duidelijk dat ze aangevallen werden door boogschutters. Hij sleepte Chiz met één hand achter de beschutting van een huis en probeerde te onderzoeken hoe het met haar was. Ze was bewusteloos en hij wist niet wat hij moest doen. Hij wist dat hij haar niet kon helpen, en hij had belangrijke zaken te doen, maar hij kon haar toch niet zomaar achterlaten? Hij moest kiezen… met een steen in zijn maag liep hij weg van zijn bloedende vriendin…

Snipert keek voor de laatste keer achterom voordat hij de hoek om ging. Hij had geen keuze, niet alleen vertelde zijn hart hem dat hij op zoek moest naar Monniejj, dat was ook zijn plicht. Hij baande zich door allerlei gevechten en opstootjes heen op weg naar de Heilige Piramide. Hij verwachtte dat zijn broeders de senaat en hun families hier zouden beschermen als de stad ingenomen werd. De piramide was goed te verdedigen en de symbolische waarde van het gebouw was ook niet te onderschatten. De grote ingang zou vast gebarricadeerd zijn, maar Snipert wist nog een andere ingang, dichterbij het hoofdkwartier van de Moderators. Vanzelfsprekend werd deze vaker gebruikt door zijn broeders, dat scheelde half uur lopen. Terwijl hij langs het hoofdkwartier liep besloot Snipert daar eerst naar binnen te gaan en zijn harnas te halen, hij zou het misschien nog nodig hebben. Toen hij de hoek om ging op weg naar zijn verblijf stuitte hij op Ser Koekiemonster. De eens zo sterke moderator was met een viertal speren tegen een houten deur genageld. Twee speren door zijn bovenarmen en twee door zijn dijen. Snipert werd onpasselijk door het aanzicht, vooral door de wijd openstaande ogen van Ser Koekie, zoals hij altijd liefkozend door zijn broeders genoemd werd toen hij nog leefde. Snipert sloot de ogen van de Moderator en liep door naar zijn kamer. Onhandig werkte hij zich in zijn harnas, wat eigenlijk bijna niet te doen was in je eentje. Toen hij het eindelijk aan had voelde het zwaarder dan normaal, hij was het gewicht niet meer gewend. Hij beet door en rende het hoofdkwartier weer uit, stak de straat over, opende het achterdeurtje en liep de piramide in.

Eenmaal binnen zag hij geen sporen van strijd, hij hoopte dat het hier nog veilig zou zijn. Hij barricadeerde het kleine deurtje en liep verder de piramide in. Hij was hier nog niet zo vaak geweest en voelde zich onzeker over waar hij heen ging. Het was ook redelijk donker, en hij kon maar moeilijk zijn weg vinden. Opeens struikelde hij ergens over. Voor hem zag hij Ser Mind liggen. Of wat er van hem over was. De hoogintelligente moderator mistte een arm en een been en de rest van zijn lichaam was afschuwelijk vervormd. Snipert kon zich niet voorstellen hoe Mind zo geëindigd was, en hij wilde het ook niet. Het werd echter wel duidelijk dat ook de piramide niet meer veilig was. Alle hoop vervloog uit hem, maar toch besloot hij verder te gaan. Opeens kwam hij bij twee enorme deuren waarvan hij wist dat ze uitkwamen op de grote zaal van de senaat. Met moeite duwde hij ze open. Hij was aan het einde van zijn krachten…

Terwijl zijn ogen wenden aan het felle licht dat door het dakraam naar binnen kwam liep Snipert naar binnen. Opeens hoorde hij een stem die hem verdacht bekend voor kwam. “En daar is onze jonge mod, ik had niet verwacht dat we je ooit nog zouden zien.” Hij keek de zaal in en zag in het midden een groep staan. Hij hoopte Ser Triforcehero en een aantal van zijn broeders te zien, maar die hoop werd snel de grond in geslagen. Voor hem stonden Nibbler, Boogieman en HSJ. Nibbler was dus degene die gesproken had. Opeens ontwaarde hij tussen hen in nog een persoon. Zijn hart sloeg een slag over toen hij Monniejj herkende. Hij wilde met alles in hem op haar af rennen en haar kussen, maar dat was niet mogelijk met hun huidige gezelschap. Het viel hem op dat haar gezicht betraand was, rode ogen staarden hem ongelukkig aan. Het duurde niet lang of Snipert had door waarom. Voor haar voeten lag het levenloze lijk van de Kanselier, haar vader Jaylee was gestorven, waarschijnlijk neergehouwen door Nibbler of één van zijn bannelingen. “Ser Snipert.” De stem van Nibbler sneed de stilte door. “Moet je je arme jonkvrouwe niet redden?” Snipert dacht na, maar hij kon niets bedenken. Hij had de verliezende hand, dat was duidelijk. Opeens nam hij daar vanuit het niets genoegen mee, na alles wat hij die dag gezien had en gevoeld had. De keuzes die hij had moeten maken, de dingen die hij sinds dat hij vertrokken was van zijn vaders huis had meegemaakt, hij voelde opeens alles. En het drukte hard op hem neer. Hij had zijn dromen niet kunnen veranderen, hij had alles aan zien komen, maar niets uit kunnen halen. Hij liet alle emoties binnen en hij wist wat hij moest doen. Nog één laatste uitval, nog één laatste dans des doods. Waarschijnlijk zijn dood, maar hij moest het doen.

Hij trok zijn zwaard en rende in een dolle gang op de groep af. Boogieman trok zijn zwaard en HSJ verschool zich achter Nibbler. Maar opeens werd het licht dat door het dakraam kwam afgeschermd, een grote schaduw viel over de mensen in de grote zaal. Het gekraak van glas en de daaropvolgende vallende scherven deed iedereen naar boven kijken. Aan een aantal touwen kwamen een vijftal figuren in zwarte gewaden naar beneden. Snipert was gestopt en keek verbaasd naar boven. De vijf landden net voor zijn voeten. Achter hen zag Snipert dat Nibbler en zijn bannelingen zich met Monniejj over hun schouders uit de voeten maakten. Hij wilde volgen maar werd tegen gehouden door de vijf mannen. “Zij is niet waar het om draait Snipert. Laat haar gaan, voor nu.” Snipert zocht naar worden. “Laat haar gaan? Ben je gek? Ik hou van haar!!” De mannen bleven hem tegen houden. “Dat weten we Snipert, maar we weten ook dat jouw lot op dit moment van je vereist dat je haar laat gaan. Dat weet jij ook, je hebt het in je eigen dromen gezien.” Snipert was verbaasd, hoe wisten zij dit? “Wat? Hoe? Wie zijn jullie?” De mannen lieten hem los en haalden de kappen van hun mantels naar achteren. “Wij zijn de Oude Garde, wij gaan je helpen je lotsbestemming waar te maken.”

Door het dakraam zag Snipert opeens wolken verschijnen, hij hoorde een knal en een bliksemflits verlichtte de zaal. Snipert voelde een aantal druppels vallen. “De helzomer is voorbij, maar waarom heb ik het gevoel dat het alleen maar erger wordt?”

Wordt vervolgd in: Autumnus Inundatio

Dit artikel delen

Over de auteur