1. Een InsideGamer Kerstvertelling, deel 1!

Een InsideGamer Kerstvertelling, deel 1!

Een InsideGamer Kerstvertelling, deel 1!

Ralph was al jaren geleden overleden, zoveel was zeker: zowel de lijkschouwer, de ambtenaar van de gemeente, de pastoor en de persoon die hem het beste kende hadden het overlijdenscertificaat ondertekend. Dat ondertekenen was wat Sadist had gedaan en als Sadist iets ondertekende, dan betekende dat wat. Zijn handtekening was op de Beurs immers goud waard, die zette hij niet zomaar onder ieder document wat hij onder zijn neus kreeg. Wist Sadist zeker dat Ralph dood was? Maar natuurlijk wist hij dat zeker! Ze waren jarenlang partners geweest. Sadist was Ralph’s enige erfgenaam en ook zijn enige vriend. Onafscheidelijk waren ze geweest en Ralph’s dood had hem ernstig aangeslagen. Ze hadden zich als Goden gevoeld samen, Ralph vooral, en vooral daarom was Ralph’s dood onverwachts geweest en had het Sadist ernstig overrompeld. Gelukkig niet ernstig genoeg om niet nog een onweerstaanbaar koopje te maken op de dag van de begrafenis van Ralph, maar dat terzijde, Ralph zou niet anders gewild hebben. Maar goed, laat er geen twijfel over bestaan, Ralph was zo dood als een pier!

Sadist verwijderde de naam van Ralph nooit. Jaren na zijn dood stond het nog boven het magazijn. Sadist en Ralph, zo stond het bedrijf bekend bij iedereen. Sadist stond bij iedereen bekend als een ontzettende vrek, er werd geen cent teveel uitgegeven en iedere besparing die gemaakt kon worden werd ook gemaakt. Sadist zag er vele malen ouder uit dan hij was. Niet verwonderlijk, want in tegenstelling tot normale mensen, zat hij de hele winter in de vrieskou binnen. Geld uitgeven aan hout voor de kachel was niet aan hem besteed, de kou had geen vat op hem, vertelde hij altijd. Net als ander slecht weer, sneeuw of ijzel? Sadist haalde zijn gerimpelde neus ervoor op. Dat Sadist en ook zijn vroegere kompaan Ralph een reputatie hadden in de omgeving zal niemand verbazen. Iedereen kende hen en hun vrekkigheid. Als Sadist een hoek om kwam lopen keek iedereen op, maar niemand zou hem groetten, bedelaars vroegen hem niet om geld en geen kind zou hem vragen hoe laat het was. Zelfs honden bleven uit Sadist’s buurt, ze leken zijn norsheid van verre te ruiken.

Sadist maalde er niet op. Sterker nog, hij was blij toe. Hij haatte de andere mensen, hun compassie en sympathie, hun emoties en hun bemoeienis in elkanders leven. Nee, de afstand tussen hem en de andere mensen in de wereld kwam hem prima uit. Dat was precies hoe hij het wilde.

Op een dag -en niet zomaar een dag moet je weten, maar nog wel op de avond vóór Kerstmis- was Sadist druk bezig op kantoor. Het was buiten bar koud en mistig, hij hoorde de mensen zuchtend van de kou buiten voorbij lopen, stampend met hun voeten en met hun handen wrijvend om de warmte weer te vatten. De klokken van de kerk hadden zojuist drie keer geslagen, maar buiten was het al pikkedonker. Het was de hele dag al niet erg licht geweest en in de kantoren om hen heen waren alle lichten ontstoken, uiteraard niet bij Sadist, daar brandde een enkel kaarsje om het document dat hij aan het schrijven was bij te lichten. De deur van zijn kantoor stond op een kier, zodat hij zijn klerk, Seventh, in de gaten kon houden. Seventh zat in een bezemhokje met een klein kolenkacheltje naast hem brieven over te schrijven, omdat Sadist het niet nodig vond een duur kopieerapparaat te kopen. De bak met kolen stond achter Sadist, één keer per uur koos hij de kleinste uit en gaf die aan Seventh, zodat er vooral niet te veel gestookt zou worden.

“Fijne kerst gewenst!” riep een vrolijke stem opeens door het magazijn, Sadist herkende gelijk de opgewektheid die altijd als een onzichtbare zweem rond zijn neef Ridley hing. Hij walgde en bibberde fysiek, “Bah, kerst, nonsens!”

Ridley kwam enthousiast het kantoortje binnenstampen. “Kerst nonsens Oom,” riep hij verbaast, “dat kunt u niet menen?” Zijn ogen schitterden van plezier en zijn wangen waren bol en rood, alsof hij de hele weg tussen zijn huis en Sadist’s kantoor had gerend.

“Natuurlijk wel, alsof jij iets hebt om te vieren,” beet Sadist hem toe, “je bent zo arm als stront.” Ridley snoof luidruchtig. “Nou, nou Oom,” begon hij, “waarom zou ú in vredesnaam zo knorrig zijn. Met uw rijkdom heeft u daar totaal geen reden toe? Wees niet zo’n knorrepot.”

“Wat zou ik anders wezen?” beet Sadist hem opzichtig geërgerd toe, “Ik leef in een wereld vol idioten, die één keer per jaar elkaar een vrolijke kerstmis wensen, terwijl ze net als de dag ervoor en erna geen cent te makken hebben, moeite doen om de rekeningen te betalen en wel geld uitgeven aan onzinnige zaken als dure cadeau’s, kerstbomen en diners. Nonsens!”

Ridley snoof luid. “Kerstmis gaat niet over cadeau’s en diners. Het gaat over dankbaar zijn voor datgene wat je in het leven hebt gekregen en het samenzijn met geliefden. Daar is geen prijs op te plakken. Een beetje kerstgevoel zou ook u niet misstaan Oom!”

Klerk Seventh applaudiseerde zachtjes vanuit zijn hokje, wat hem op een boze blik van Sadist kwam te staan. Geschrokken pakte hij de pook naast de kachel en prikte zachtjes in de enkele kool die erin lag. Met die actie doofde het minuscule vlammetje dat de kachel bevatte meteen uit, waardoor Seventh beduusd in het donker bleef zitten.

“Met emoties heeft nog nooit iemand geld verdient,” riep Sadist uit, zijn aandacht terugbrengend naar neef Ridley, “nonsens! Allemaal!”

“Kom nou Oom!” zei Ridley sussend, “komt u alstublieft morgen bij ons eten, ik heb een heerlijke haas geregeld voor het diner.”

Oom Sadist liep inmiddels rood aan, alsof iemand de kolen achter zijn bureau in één keer in de kolenkachel had gestopt en het vuur tot tropische temperaturen had omhoog gestookt. “Nee, het is nonsens. Steek die haas maar daar waar de zon…” Sadist maakte de zin in zijn volledigheid af, aan zijn gezicht viel af te lezen dat hij het meende.

“Okee, fijn, u krijgt uw zin, ik ga al. Als u zich bedenkt, laat het me dan weten.” Ridley zei het meer uit fatsoen dan iets anders. Het was duidelijk onbegonnen werk, zijn oom was een knorrepot en zou dat tot zijn dood blijven. Hij keerde zich om en verliet het kantoor zonder afscheid te nemen. Sadist keerde zijn aandacht weer terug naar het document waarmee hij bezig was voordat hij gestoord werd. De kerkklok buiten sloeg al snel zeven keer, ten minste, voor Sadist gevoel. Vanuit zijn ooghoek zag hij Seventh zenuwachtig schuiven op zijn stoel.

“Uhm, baas?” begon hij met een klein stemmetje, “ik weet dat ik nog veel brieven moet kopiëren, maar zou ik vandaag iets eerder weg mogen, ik moet nog een boom kappen voor thuis op te tuigen, ik ben er al die avonden nog niet aan toegekomen.” Sadist glimlachte flauwtjes, tuurlijk kwam hij daar niet aan toe, hij kon zich de laatste keer niet herinneren dat zijn klerk het werk dat hij dagelijks moest doen voor middernacht voltooide. De nietsnut. “Hm, waarom zou ik je eerder laten gaan, het is nog geen eerste kerstdag en dan heb je ook al de hele dag vrij!”

“Ja, dat weet ik baas.” Stamelde Seventh, “Het zit zo, mijn zoontje Kleine Tidow, u weet wel, met die x-benen en chronische kaalheid heb ik beloofd dat hij zijn cadeau onder de boom krijgt morgenvroeg. En hij heeft het al zo zwaar.” Sadist moest onwillekeurig denken aan kleine Tidow, die met een kromme tak moest lopen en geen enkel haar op zijn lichaam had. Niet op zijn hoofd, noch op zijn armen of benen. Het was een zielige vertoning, maar goed, dat was niet zijn probleem. “Pft, nonsens, ik betaal je voor je werkzaamheden hier en ik verwacht dat je deze dan ook uitvoert. Als je nu gaat zie ik die 9 euro loon voor de rest van de avond en de hele dag morgen toch ook niet terug?” snauwde Sadist hem toe. “En nu terug aan je werk.”

Sadist liet Seventh nog vier uur doorwerken tot alle brieven waren overgeschreven en liet hem daarna naar huis gaan. Zelf vertrok hij ook naar zijn grote huis aan de rand van het dorp, dat meer van een kasteel weghad dan van een landhuis. Terwijl hij naar de voordeur van het huis liep, pakte hij de sleutel van het huis uit zijn zak, zachtjes binnensmonds mopperend op neef Ridley en klerk Seventh, die zijn humeur met al die kerstonzin danig hadden verpest. Hij stak de sleutel in het slot en keek op terwijl hij eraan draaide. Hij schrok zich wezenloos, de klopper die normaal op de deur prijkte en een leeuwenkop liet zien, was verandert in het gezicht van zijn inmiddels al zeven jaar geleden overleden kompaan Ralph. Het zag er levensecht uit, helemaal niet van brons zoals de klopper normaal was en hij kon zich vergissen, maar volgens hem knipperden de ogen van Ralph terwijl hij hem sereen aankeek. Sadist maakte van schrik een sprongetje achteruit en verloor zijn balans, hij viel zijwaarts in een struik en krabbelde met moeite weer overeind, terwijl zijn oude botten gevaarlijk kraakten.

Toen hij voorzichtig en met wijd openstaande ogen weer naar de deur keek kon hij zijn ogen amper geloven. De klopper op de deur zag er weer gewoon uit. Nog half buiten adem hijgend draaide hij voorzichtig weer aan de sleutel. Hij moest het zich verbeeld hebben, waarom wist hij niet, wellicht was het de kou in combinatie met alle ophef van die dag. Eenmaal binnen hing hij zijn jas aan de kapstop. Hij stak een kaarsje aan en liep naar boven, Hij zette het kaarsje op zijn nachtkastje en kleedde zich om in zijn nachtkleed. “Nonsens, ik heb me dit verbeeld. Het is allemaal de schuld van Seventh en die stomme neef van me,” riep hij luidt terwijl hij in bed stapte, het kaarsje uitblies en naar dromenland vertrok.

Waar hij precies over had gedroomd wist hij niet meer, maar hij werd voor zijn gevoel veel te vroeg wakker. Terwijl hij in zijn ogen wreef en om zich heen probeerde te kijken in de duisternis hoorde hij een zacht geratel. Hij kon het geluid maar moeilijk plaatsen, wat kon het zijn, het werd steeds luider en luider. Opeens klonk een luide knal en vloog de deur van zijn kamer open, Sadist zat ineens recht overeind in zijn bed. “Wat de…” riep hij uit terwijl in de deuropening een menselijke verschijning te zien was. De verschijning was duidelijk menselijk, maar was dit niet. Het leek wel, en zelfs de gedachte alleen al klonk absurd, een spook, een doorschijnend wit spook, dat een groenig licht leek uit te stralen. Met een schok herkende hij het wezen, het was onmiskenbaar zijn overleden kompaan. Het spook had geen benen, maar zweefde de kamer binnen. Het geratel bleek te komen van kettingen, zo dik als de takken van de grote eik die gevaarlijk buiten zijn slaapkamerraam wuifde in de hevige wind. Het stormde zwaar buiten, maar dat ontging Sadist volledig. Hij staarde met open mond naar Ralph, die vlak bij het voeteneind van zijn bed was gestopt.

“Mijn waarde Sadist, herken je me nog” donderde de stem van Ralph door de kamer, de spookachtige krullen in zijn haar dansten, alsof ze door een hevige windvlaag gevangen waren. “Maar, natuurlijk herken ik je Ralph, maar… Maar… Dit moet ik dromen?!” stamelde Sadist tegen de indrukwekkende verschijning. “Nee, het is geen droom Sadist, ik ben hier om je te waarschuwen.” De diepe brom in Ralph’s stem benadrukte de ernst van zijn bericht. Sadist wist echter zeker, hij moest nog dromen zijn. Maar waarom voelde dit dan zo echt? Hij snapte er niets van, maar wist ook dat hij het moest doorstaan. Hij zou vanzelf wakker worden, hopelijk eerder dan later, maar tot die tijd zou hij zijn angst moeten doorstaan. “Maar, wat voor waarschuwing?” vroeg hij voorzichtig.

“Zie je de ketenen om mijn Lichaam Sadist?” bulderde Ralph door de kamer. “Dit zijn de ketenen van mijn geweten. Mijn hele leven ben ik een slecht mens geweest. Ik toonde geen compassie, had geen mededogen voor anderen en heb mijn hele leven enkel mijzelf gediend. Ik was geen goed mens.”

“Maar Ralph, je was toch een goede zakenman?” Bracht de overrompelde Sadist in.

“Zakenman?” Ralph lachte hem toe met dezelfde buldering. “Ik heb het over liefde voor de medemens, goede dingen doen. Omdat ik zo’n slecht mens was ben ik als geest voor eeuwig geketend, ik zal nooit vrij zijn! Nooit zal ik eeuwige vrede kennen!”

Die gedachte alleen al deed Sadist bibberen. Ralph was zijn enige vriend geweest, bovendien leidde hij hetzelfde leven. Dit zou hem ook geschieden. “Maar Ralph, oude vriend, is er niets wat je kan doen?”

“Voor mij is het te laat Sadist, maar voor jou nog niet, je zal vanavond bezocht worden door drie geesten. Zij laten je het verleden, het heden en de toekomst zien… Verbeter je leven of eindig zoals mij.” Riep Ralph, terwijl zijn stem steeds verder weg klonk. Langzaam verdween Ralph voor Sadist’s ogen. Nee, dit moest een droom zijn, zo zou hij niet eindigen. Het waren gewoon de gebeurtenissen eerder die dag die hem parten speelden en hem deze droom gaven. Als hij nu gewoon ging liggen zou hij morgenvroeg wakker worden en zou alles weer bij het oude zijn. Hij wist het zeker, langzaam ging hij weer liggen en begon te woelen in zijn bed. Een enkele keer schrok hij van een beweging in de hoek van de kamer. Maar als hij keek bleek het slecht de schaduw van de boom naast de slaapkamerraam te zijn die zijn kamer in scheen in het maanlicht. Na wat leek op een eeuwigheid, viel Sadist eindelijk in slaap, zichzelf overtuigd hebbende dat hij slechts een nachtmerrie had gehad.

Wordt Vervolgd!

Dit artikel delen

Over de auteur