1. Autumnus Inundatio Part 1

Autumnus Inundatio Part 1

Een nieuw jaar, een nieuw boek! Iedereen nog de beste wensen voor het nieuwe jaar! Na de spanning en sensatie van de finale van Aestas Inferna zullen jullie vast graag willen weten hoe het af loopt met Snipert, Monniejj, Chiz en al jullie favoriete helden. Maar aangezien ik een enorme hufter ben, ga ik met totaal iets anders verder. Het is een iets andere set up dan vroeger, niet elk hoofdstuk zal meer vanuit het oogpunt van Snipert zijn. We zien hem terug, maar eerst gaan we verder met een iets ouder mysterie uit Aestas Inferna.

Part 1: De queeste van een dwaas

De zee was onstuimig, enorme golven sloegen met wild geraas tegen de zijkant van het snelle, tengere schip. Het was midden op de dag maar het was pikdonker. Enorme donkere wolken lieten grote hoeveelheden regen op het dek neerkomen. In de verte zag hij een aantal bliksemstralen op het water slaan. “Als die hier in slaan zijn we er geweest.” Dacht de man terwijl hij over de boeg van het schip hing om voor de zoveelste keer zijn maaginhoud aan de zee te doneren. Hij was gek dat hij hier heen ging, gek dat hij alles op gaf voor een reis die misschien nutteloos was. Maar toch… hij moest het weten, hij moest zeker weten of dat wat hij gelezen in de documenten van zijn voorvader waar waren. Als dit zo was zou het de geschiedenis van Igianië kunnen herschrijven, en haar toekomst veranderen. Ten goede. Daar was hij nu niet zeker van. De piratenstraat was gevaarlijk gebied, en niet alleen door de verraderlijke zee, schepen met zwarte zeilen jaagden hier op prooien gevuld met goud, juwelen, mirre en huiden. En daarbij waren de herfststormen ook nog eens begonnen, welke zomaar eens afkomstig zouden kunnen zijn van een overstroomde herfst. De helzomer was moordend heet geweest, de herfst die daarop volgt is niets meer dan extreem te noemen.

Hij dacht terug aan de dag dat hij op de zolder van zijn smidse een oude kist vond die hij nooit eerder had gezien. Of tenminste, hij had een vage herinnering aan een dergelijke kist van toen hij nog een kleine jongen was. Zijn grootvader had hem de kist laten zien, vertelde dat deze van een verre voorvader was voordat hij afgeleidt werd door allerlei veel interessantere zaken op het stoffige zoldertje. “Kinderen… te naïef en te impulsief. Als ik alleen maar naar zijn verhaal had geluisterd had ik misschien meer geweten dan nu. Had ik me eerder voor kunnen bereiden.” Toen hij de kist weer tegen kwam had hij besloten hem te openen. De sleutel van de kist had hij nooit gehad, maar hij zou een slechte smid zijn als hij niet eens een kist zou kunnen openen. De inhoud van de kist was grotendeels niet zo interessant. Een aantal boeken over alchemie. Hij wist dat sommige van zijn voorouders deze zogenaamde wetenschap hadden bedreven. Maar als alchemie ooit had gewerkt dan was dat sinds de dood van De Verrader opgehouden. Magie hield die dag op met bestaan in Igianië. Niets noemenswaardig in ieder geval. Verder zaten er een aantal vreemde objecten in en helemaal onderin vond hij een dagboek. Het dagboek van één van zijn voorouders. Hij had het in eerste instantie in een hoek van zijn smidse gegooid, hij had belangrijkere zaken te doen. Hij moest nog een zwaard maken voor Ser Raem, wat een grote eer was. De orde der moderators had zijn eigen smid, die de meeste zwaarden voor de moderators maakten. Hij was echter goed in zijn vak en dat was ook de orde opgevallen. Steeds meer moderator kwamen naar zijn smidse om zijn vakmanschap in te huren. Totdat hij opeens op een avond het dagboek zag liggen en er in begon te lezen…

“Heer Aiii!” De man werd uit zijn dagdromen gerukt door de kapitein van De Vliegende Igiaan. “De zee heeft het wederom gewonnen van uw maag zie ik, beterschap.” Aiii veegde zijn mond af en keerde zich richting de kapitein. Dat was een ervaren zeeman, hij werkte al vanaf zijn 12e op schepen en had zich langzaam maar zeker opgewerkt tot kapitein van zijn eigen schip. Iets waar Aiii respect voor had, dat werd je namelijk niet zomaar. “Kapitein Jaspert, goedemiddag, of tenminste ik denk dat het middag is.” De kapitein lachte en gaf hem gelijk. “Het is inderdaad niet echt te zien, dit is meer dan een normale herfststorm denk ik zo.” De twee mannen begaven zich richting de kapiteinshut en Aiii was blij verrast met de warmte die de houtkachel daar opleverde. “Hoe staat het met de reis Jaspert? Zijn we er al bijna?” De kapitein schudde zijn mantel droog en nam plaats achter zijn grote bureau. Het zware eikenhouten meubel lag bezaaid met verschillende zeekaarten waarop zelfs de kleinste rotspunt aangegeven stond. “We liggen weer op schema, die rovers van een aantal dagen terug hebben ons wel even laten schrikken, maar bijna niets op de noordelijke zeeën is sneller dat deze schoonheid.” Een aantal dagen eerder zag de uitkijk van het schip in de verte een groep schepen met zwarte zeilen, een waarschuwingsignaal werd gefloten en alle zeilen werden bijgezet om de schepen te ontlopen. Het leek even lastig te worden, maar de piraten waren langzaam en meer berekend op oorlogsvoering dan snelheid. Het had niet lang geduurd of de vliegende Igiaan was zover op ze vooruit gelopen dat ze zich geen zorgen meer hoefde te maken. Het grote nadeel was wel dat ze flink uit koers waren geraakt, en dat had een dag of twee extra aan de reis vast gemaakt. En die duurde Aiii al veel te lang. “Ik verwacht dat we op zijn hoogst nog een dag onderweg zijn.” Aiii was blij met het nieuws en besloot zijn eigen hut op te zoeken, tijd om even een tukje te gaan doen.

Liggend in zijn hangmat kon hij toch de slaap niet vatten, het constante deinen van het schip in de storm maakte hem kotsmisselijk. Hij had niets meer over te geven, dus het was ook zinloos om het dek weer op te gaan. In plaats daarvan dacht hij weer terug aan het dagboek van zijn oom en de eerste keer dat hij het open sloeg. Het dagboek beschreef een aantal gebeurtenissen die vele jaren geleden plaats hadden moeten vinden. Zijn voorouder was inderdaad een alchemist, en hij las over een aantal zaken die deze man in zijn leven had gedaan, het bezweren van normale zwaarden waardoor ze magische eigenschappen krijgen, het onmogelijke doel om oud lood in goud te veranderen en iets over een soort koets die zijn voorouder een Skoda noemde… Het leek allemaal niet heel erg interessant en eerlijk gezegd een beetje verzonnen totdat hij opeens iets zag staan over een samenkomst op het grote plein van Frontpagia, waarbij vijf vooraanstaande inwoners hun plannen vertelden voor de toekomst van Igianië… Opeens had Aiii zich beseft dat dit de vorming van de senaat en de piramide betrof. Één van de bekendste gebeurtenissen uit de geschiedenis van de republiek, en hier had hij een persoonlijke ooggetuigenbeschrijving. Hij bleef doorlezen en verbaasde zich over wat hij las. Zijn voorouder had zich openlijk verzet tegen de nieuwe regeringsvorm en was kennelijk een belangrijke revolutionair. Het vertelde zaken over een eiland ergens in het noorden van Igianië en allerlei rellen in de hoofdstad. Vervolgens kwam hij bij het verraad van de grote verrader en alle gebeurtenissen daarbij, en hij kwam er achter dat zijn voorouder daar een belangrijke rol bij gespeeld had. “Ongelooflijk… Nog steeds snap ik niet dat dit niet bekend was in onze familie.” Het meest verrassende was nog wel dat het dagboek verder ging dan de geschiedenisboeken. Het verhaal was namelijk niet klaar na de dood van de verrader… Het noodlot had er echter voor gezorgd dat dit deel van het verhaal niet te lezen was. Aiii kon alleen maar ontdekken dat er op een eiland in het noorden een belangrijke aanwijzing te vinden zou zijn. Zijn nieuwsgierigheid was gewekt en hij was de volgende dag vertrokken met al zijn geld, hij moest dit tot de bodem uitzoeken.

Na toch even in slaap gevallen te zijn stond Aiii op en liep weer het dek op. De lucht was alsnog even zwart en de storm was nog in alle hevigheid bezig. Aiii bekeek de matrozen op het dek en snapte niet hoe zij dit dagelijks als hun werk konden doen. Hij verlangde na vijf dagen op zee enorm terug naar zijn warme smidse. Even verderop het dek was Kapitein Jaspert bezig bevelen te schreeuwen naar zijn ploeg. Een goede kapitein dacht Aiii bij zichzelf. Toen hij de jongen en zijn schip benaderde vroeg hij zich af of hij wel te vertrouwen was, de kapitein had iets vreemds over zich heen. Maar hij vroeg niet veel voor de oversteek en Aiii had weinig andere keuzes. Bijna geen kapitein durfde hier heen, er hing een vloek op dit gebied volgens hen. Er gebeurden vreemde dingen en veel schepen kwamen nooit terug als ze hier heen waren gegaan. En degene die wel terugkwamen durfden het water nooit meer op. Jaspert was anders, onbevreesd en altijd bereidt om onmogelijke opdrachten aan te nemen. Na hun vertrek was Aiii er achter gekomen dat Jaspert oorspronkelijk uit Nes kwam. Hetzelfde kleine dorpje waar zijn broer en neefje woonden. Het was al tijden geleden dat hij ze had gezien, maar hij hoopte dat het goed ging op hun aardappelboerderij. Het verlies van de moeder van Snipert was tragisch geweest, en Aiii was toendertijd een aantal weken bij ze gebleven. Hij had zijn broer beloofd dat Snipert altijd een plek zou hebben in zijn smidse mocht dat nodig zijn. Dat was echter nooit zo geweest, dus had hij zijn neefje niet zo vaak meer gezien. Hij zou nu al een sterke jongeman moeten zijn, een aardappelboer in spé. Zoals zijn moeder zou hebben gewild, een simpel, eerlijk leven. Daar had zij ook voor gekozen…

Weer begon Aiii te twijfelen aan zijn reis naar het eiland, volgens de meeste kapiteins bestond het eiland waar hij heen wilde niet eens. Het was een legende, een grapje van een oude kaartenmaker. Niemand had het ooit kunnen vinden. En hij had de helft van zijn spaargeld opgemaakt aan deze reis… Opeens hoorde hij een verbaasde kreet, hij keek op en zag dat de storm was gaan liggen, heel abrupt. Wat vreemd was, je vaart niet zomaar opeens een storm uit. Een stukje verderop zag hij Jaspert staan. “Zijn we de storm uit?” De kapitein keek hem met een bezwaarde blik aan. “Ik heb geen idee, dit heb ik nog nooit meegemaakt…” Aiii keek om zich heen en dacht dat ze misschien in het oog van de storm zaten. Daar was het kennelijk gewoon rustig had hij ooit gehoord. Alsof Jaspert zijn gedachten kon lezen ging hij verder: “Dit is niet het oog van de storm, dit is… iets anders.” Aiii kreeg een benauwd gevoel, als deze ervaren zeeman dit niet kon duiden… wat kon dat betekenen? Het viel hem op dat het licht op de één of andere manier vreemd gebroken werd om hem heen. Daarnaast was het naast de geluiden op de schip muisstil rond hem heen. Geen ruisende golven, geen zeemeeuwen niets. De grootste schrik kwam toen hij het water zag, dat stond compleet stil. Alsof ze op een meer vaarden…

Vanuit het kraaiennest hoorden ze opeens een signaal, land in zicht. Aiii en de kapitein liepen naar de andere boeg en zagen in een verte een eiland. Aiii kreeg een vreemd gevoel toen hij het zag, aan de ene kant was hij blij dat het er daadwerkelijk was. Maar hij begon zich ook ongerust te voelen. “Niemand die er naar op zoek is gegaan is ooit teruggekomen…” De vliegende Igiaan vaarde verder naar het eiland, terwijl de zeilen slap stonden. Het was alsof het eiland een soort vreemde aantrekkingskracht had op het schip. Het duurde niet lang of Jaspert liet het anker uitgooien, hij keerde zich naar Aiii en zei: “tijd om dat eiland van je eens te bezoeken.” Ze lieten een kleine sloep in het water en roeiden naar de kant. “Hmm vreemd, er is hier totaal geen teken van de storm, geen brandhout, kapotte bomen of wat dan ook. Als dit het oog was, dan zou de storm er toch overheen getrokken moeten zijn…” Aiii kreeg een koude rilling over zijn rug, opeens krijg hij spijt van zijn reis, zijn domme reis. Toen hoorden ze verderop geritsel in de bosjes. Jaspert trok zijn degen en tot hun grote verbazing kwam er een jongen van een jaar of 18 uitgelopen, gekleed in niets anders dan een lendendoek.

To be continued

Dit artikel delen

Over de auteur