1. Op de achterbank

Op de achterbank

Een donkerblauwe Opel Corsa rijdt op de snelweg. Voorin zit een kalende man achter het stuur, die sinds een jaar of twee weduwnaar is. Naast hem is een lege plek, een stille herinnering aan zijn vrouw die daar nooit meer zitten zal. Een zwakke plek in de aorta was het, die ervoor zorgde dat zijn vrouw nimmer meer ademhalen zou en de rest van het gezin moederloos achterliet. De liefde die er was tussen de man en de vrouw – of is, beter gezegd: de man is nooit opgehouden om van haar te houden – had hun twee kinderen geschonken. De één zit nu thuis voor de hond te zorgen en de spaghetti al vast te warmen, de ander zit hier nu op de achterbank. Hij is, samen met de andere inzittenden, op de terugweg van een zwemwedstrijd. Links van hem zit zijn vriendin, rechts van hem een vriend.

Alle drie zwemmen ze: hij en zijn vriendin als top-notch zwemmers die op nationaal niveau al diverse prijzen hebben gewonnen, de vriend als net-niet-goed-genoeg zwemmer. De aandacht van de zoon op de achterbank is volledig gefocust op het meisje links van hem: hij kan zijn ogen niet van haar afhouden en op gedempte fluistertoon maakt hij grapjes, complimenteert haar, en nog veel meer van die dingen die stelletjes die tot over hun oren verliefd zijn op elkaar zijn doen. Zijn vader vind het niet erg: hij is maar al te blij dat zijn zoon na de dood van zijn moeder gelukkig is. De zoon zijn ogen schitteren van geluk en liefde; zijn vriendin naast ‘m vervult hem door zijn hele lichaam heen met een onbeschrijfbaar gevoel en gelukkiger dan nu worden lijkt haast onmogelijk. Maar dit verhaal gaat niet over hem. Dit verhaal gaat over de vriend.

Want die zit daar ook nog, op de achterbank. Terwijl naast hem de zoon en zijn vriendin voor niemand anders oog hebben dan elkaar, zit hij ongemakkelijk uit het raam te kijken. Groene weilanden, een omver gewaaid berkenbos en nog veel meer van dergelijke dingen flitsen aan hem voorbij, maar zien doet hij ze niet. Het enige wat hij ziet is het stel daar rechts van hem, dat elkaar liefdevol aan het bekijken is en zich aan elkanders gezicht verlustigen. Chagrijnig probeert hij het beeld uit zijn hoofd te krijgen, maar hoe meer hij het probeert, des te meer komt dat beeld weer op. Hij ziet – spreekwoordelijk gezien uiteraard, hij is geen marsmannetje – groen en geel van afgunst. Hij is echter niet jaloers op hun relatie. Nee, dat gunt hij hen beiden maar al te graag: het meisje begeert hij niet en jongens in het algemeen vindt hij niet tof, op die manier dan. Hetgeen waar hij echt jaloers op is, is hun geluk.

Hij walgt van zichzelf hierom. Hij weet dat het fout is om hen dit simpele gegeven te misgunnen, maar hij kan het niet helpen. Steeds maar weer dwalen zijn gedachten af naar het feit dat zij twee wel kunnen genieten van elkaars wederzijdse liefde, maar dat hij dat niet kan, dat hij daar in zijn eentje chagrijnig zit te wezen. Ook hij wil iemand om verliefd op te zijn, iemand die zijn gevoelens beantwoordt. Iemand om samen sámen mee te zijn. Het hoeft geen fysieke liefde te zijn, integendeel zelfs. Gewoon iemand om zijn bedenksels mee uit te wisselen, mee te ouwehoeren, mee uit eten te nemen en aldaar lieve dingen tegen te zeggen. Iemand waarmee de stiltes niet pijnlijk en gênant zijn.

Maar daarover nadenken heeft geen zin. Het zorgt er niet voor dat er op magische wijze opeens het meisje van zijn dromen naast hem zit. Nee, enkel het verliefde koppel zit naast hem, blij te zijn in hun gemeenschappelijke liefde. Zij wel. Hij probeert het hun uit alle macht te gunnen, maar helaas: dat doet hij niet. Inmiddels is de auto voor zijn huis gestopt en hij stapt uit en pakt zijn tas. Hij loopt naar de deur en kijkt nog één enkele maal om naar de donkerblauwe Opel.

“For fuck’s sake,” zegt hij.

Dit artikel delen

Over de auteur