1. Rechtsgeldig racisme

Rechtsgeldig racisme

Als je iemand vraagt naar zijn mening over discriminatie, dan zal vrijwel altijd een gehaaste verontwaardiging het antwoord zijn: ‘Maar natúúrlijk is discriminatie verwérpelijk!’ Ondertussen staat de PVV echter wel op 25 zetels in de peilingen en heeft de invloed van die partij in het regeerakkoord in een boerkaverbod geresulteerd.

Blijkbaar heerst er een negatievere houding jegens buitenlanders dan hardop wordt uitgesproken. De redenen waarom mensen hun mond liever houden, zijn simpel te bedenken. Allereerst is discriminatie sociaal niet acceptabel. Als je moslims een stelletje schapenneukers vindt, dan houdt je daarover je mond (behalve op het internet of in het bijzijn van gelijkgestemden), net zoals je met een gulle glimlach een compliment maakt over de nieuwe paars-met-groene jurk van je vriendin. Ten tweede is discriminatie in Nederland bij wet verboden (Wetboek van Strafrecht, artikel 137c en d). De onderbouwing van de wet is de afgelopen tijd ter discussie gesteld, met name door onze geliefde blonde antagonist. Is dat terecht?

Eén van de meest gehoorde argumenten voor het verbod op discriminatie is een sociaal argument: je hoort andermans gevoelens niet te kwetsen; wat ge niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet; heb respect voor elkaar, etc. Dit is echter maar de helft van de werkelijke onderbouwing. Ik zal dit toelichten met een voorbeeld.

Stel je eens een wereld voor waarin de wetenschap heeft aangetoond dat de joden een inferieur ras zijn. Er is bewijs in overvloed voor deze stelling: het brein van de gemiddelde jood is 30% kleiner dan dat van andere mensen, het typische joodse lichaam heeft een zwak immuunsysteem en uit psychologisch onderzoek is gebleken dat alle joden van nature nauwelijks wilskracht bezitten. Zou het in zo’n wereld verboden zijn om racistische opmerkingen te maken over joden? Als je tegen een jood zegt dat zijn ras slap en dom is, dan zal dat zijn gevoelens immers kwetsen.

Het verschil zit hem echter hierin: een racist zou in deze hypothetische wereld gelijk hebben. Een discriminerende mening zou nog altijd kwetsend zijn, maar hij zou wel op waarheid berusten. En het verkondigen van de waarheid, hoe schokkend die ook is, mag natuurlijk nooit verboden zijn.

Er zijn dus twee redenen om discriminatie te verbieden: omdat het kwetsend is en omdat het onwaar is. Deze redenen zijn onvoldoende.

Ten eerste is ‘kwetsend’ een zeer subjectieve term. Bijvoorbeeld: een vrouw uit Heusden (twee straten bij mij verderop) klaagde in december 2006 de Postcodeloterij aan, omdat zij psychologische schade zou hebben geleden. Haar buurman had namelijk een miljoen euro gewonnen en kocht een glimmende nieuwe Porsche, terwijl zij gedoemd was in haar afgetrapte Fiatje te blijven rijden. Hoe idioot de aanklacht ook was, je kunt niet stellen dat je weet of deze psychologische schade oprecht was, want je kunt nu eenmaal niet in andermans hoofd kijken. Voor zover we weten, was deze vrouw werkelijk helemaal kapot van binnen. Hoe bepaal je of iemands verdriet gerechtvaardigd is? Ieder individu heeft zijn of haar eigen emotionele zwaktes.

Ten tweede zijn er onnoemelijk veel mensen die bespottelijke opvattingen spuien. Sommigen beweren dat het universum in zeven dagen is gemaakt, anderen zweren dat ze door aliens zijn ontvoerd. Maar zij worden niet vervolgd, ook al berusten hun meningen niet op waarheid. Ze hebben het recht om alle sprookjes te verkondigen die ze maar kunnen bedenken.

En zelfs als de twee argumenten gecombineerd worden, voldoen ze niet om de wet te rechtvaardigen. Een voorbeeld:

Stel dat een creationist zegt: ‘Alle evolutionaire biologen zullen branden in de hel’. Er volgt een rechtszaak en de rechter oordeelt dat de stelling kwetsend was – omdat vele evolutionaire biologen hebben gezegd dat zij zich diep beledigd voelden – en dat de stelling onwaar was – omdat evolutie wetenschappelijk bewijsbaar is en omdat er geen aanwijzingen zijn die duiden op het bestaan van de hel. De creationist wordt dus gestraft.

Dit betekent dat de rechter in dergelijke gevallen zou moeten bepalen wat de ‘objectieve’ waarheid is en dat iemand met hetzelfde wereldbeeld als de rechter (hier de bioloog) een grotere vrijheid van meningsuiting zou hebben dan iemand met een afwijkend wereldbeeld (hier de creationist).

Daarnaast is er nog een argument tegen het verbod op discriminatie. Als iemand namelijk niet mag zeggen dat hij homo’s perverse gekken vindt, dan zal er ook niemand zijn die hem het tegenbewijs kan leveren. De homofoob blijft dan bij zijn eigen mening.

Al met al is er mijns inziens geen reden om Artikel 137c en d te behouden. Er is geen rechtvaardiging voor de wet en het gevolg is bovendien dat discriminatie nooit weerlegd wordt.

Discriminatie, hoe verwerpelijk het ook is, zou legaal moeten zijn.

Dit artikel delen

Over de auteur