1. Autumnus Inundatio part 9

Autumnus Inundatio part 9

Zooo fucking 5 maanden geleden dat ik een afleveringetje geschreven heb. Het werkende leven kan je tijd voor dit soort dingen redelijk opslokken. Ik moet even dit seizoen afmaken, nog 3 te gaan hierna. Lees ze!

De vuurbezweerder

Hij wierp een lange schaduw over het stikhete zand. Hij was blij, hoe langer zijn schaduw werd hoe eerder hij uit deze verdomde hitte zou zijn. Dan zou de bittere kou komen. Het was een plek van extremen dit godvergeten land. Hij had nooit problemen gehad met hitte maar hier was het anders… De hitte was… vreemd. Het zinderde, kraakte als een soort bliksem om hem heen. Dit was geen normale hitte hier in de woestenij van de Sega Vallei. Net als dat in de nachten geen normale kou was, het was kouder dan hij ooit voor mogelijk had kunnen houden. Al drie dagen en drie nachten zwierf hij door deze woestijn. Elke dag warmer dan de vorige, elke nacht kouder dan de vorige. Hij wist dat hij dichterbij kwam, al was het alleen al daaraan. Hij was op weg naar het centrum, het kloppende verdorven hart van deze woestenij. Deze plek is beschadigt, dacht hij bij zichzelf. En ergens daar is de bron, de oorsprong. Hij staarde in de verte, het voelde alsof de laatste vloeistoffen uit zijn lichaam zweette maar hij wist dat hij door moest zetten. Hij was dichtbij. Het was nu duidelijk merkbaar, de natuur was uit balans. Hij voelde het overal om zich heen, magie had een scheur gemaakt in de tere balans van dingen en de eens zo vruchtbare sega-vallei was gereduceerd tot dit.

Ryuujun verbaasde zich wederom over de hitte, hij was een vuurbezweerder. Hij was vuur, hitte zou hem niets moeten doen. Tijdens zijn jaren in het diepe zuiden van Japtardië had hij één van de ergste hittegolven ooit meegemaakt. Honderden kwamen om door dorst, het mislukken van de oogst of gewoon omdat hun hersenen gekookt werden onder de brandende zon. Ryuujin was nauwelijks aan het zweten, zo krachtig was hij als vuurbezweerder. Maar hier, de hitte was hier anders, heel anders. Hij zou willen dat Dural hem hier nooit heen gestuurd had. Maar zoals bij zoveel zaken in de Oude Garde had hij niet kunnen weigeren. Hij had een eed gezworen welke hij niet zomaar kon verloochenen. 2 dagen nadat Snipert hen had verlaten was hij richting het Zuidoosten vertrokken, richting deze verdoemde vallei. Terwijl hij de aan de horizon de zon onder zag gaan was hij zowel blij als ongerust. Hij was de hitte uit, maar als de kou weer erger zou zijn als vorige nacht. Hij pakte zijn lantaarn, de eeuwige vlam van de oogstmaan nog stevig brandende, mompelde een aantal woorden en keek toe hoe de gloed van de lamp zijn uitstrekte om hem heen. Zolang de lantaarn zou blijven branden zou hij warm blijven. Hij rolde zich in zijn mantel en viel in een diepe slaap.

Zijn slaap was onrustig, afgewisseld met bittere kou en ondragelijke hitte. Hij zag een vuurdraak en ijsreus in groot gevecht terwijl een donkere gedaante in de schaduw wachtte. Hij zag Snipert, in het midden van dit alles met naast hem een gedaante die zo fel schitterede dat Ryuujin zijn ogen wel moest afweren. Snipert stond met zijn rug naar de jongen toe, Ryuujin wilde hem waarschuwen, maar zijn stem bleef uit toen hij zijn mond open deed. Opeens kreeg hij sterk het gevoel dat zijn eeuwige vlam moeite had om aan te blijven. Hij probeerde met al zijn macht wakker te worden maar een schaduw hield hem in een ijzeren greep. Hij voelde de vlam uitgaan en zijn kracht wegvloeien. Heel even dacht hij eraan om los te laten, gewoon niet meer terug te vechten. Maar zijn eed was sterker, hij moest het centrum bereiken. Met een laatste poging bolsterde hij al zijn kracht en voelde hij zijn vuur in hem opborrelen. De schaduw verdween en met een schreeuw ontwaakte hij in het holst van de nacht, precies op de plek waar hij een paar uur eerder was gaan slapen. Hij zag dat zijn vlam gekrompen was tot een klein puntje. Als die vlam uit ging zouden zijn krachten weg zijn, zijn vuurbezweringen zouden nutteloos zijn totdat hij weer een nieuwe vlam zou nemen uit het vreugdesvuur in Anitoko. Dat zou in deze woestijn zijn dood betekenen. De rest van de nacht bracht Ryuujin door met het verzorgen van zijn vuur.

Rond de eerste tekenen van daglicht leek zijn vlam weer wat sterker te zijn geworden. Hij was er de halve nacht mee bezig geweest terwijl hij eigenlijk had moeten rusten. Deze dag zou zwaar worden, erg zwaar. Maar hij had het gevoel dat zijn reis er bijna op zat. Letterlijk… en figuurlijk. Een koude rilling trok over zijn rug. Waarschijnlijk het laatste koude gevoel wat hij die dag zou hebben. Hij besloot maar vast te gaan lopen nu het nog enigszins koel was. Dat duurde echter niet lang. De dorre woestijn warmde binnen de kortste keren op tot een hete oven. Ryuujins lippen waren uitgedroogd, zijn tong een stuk leer in zijn mond. Een aantal keer zag hij in de verte een boom, of een meer. Hij wist dat dit onzin was, een spelletje wat de woestenij met zijn geest speelde. Hij had dit vaker gezien in het diepe zuiden van Japtardië. Hij vroeg zich af hoe lang hij nog door kon gaan. Vuurbezweerder of niet, tegen hitte bestemd of niet. Elk mens had zijn grenzen. En alsof de hitte nog niet genoeg was werd de magie ook steeds drukkender, dikker… het voelde alsof hij zich door een muur heen moest werken met elke stap die hij zette. “Wat was hier in godsnaam gebeurt?” zei hij op een gegeven moment hardop. Hij schrok, het voelde alsof het al dagen geleden was dat hij zijn eigen stem gehoord had, laat staan die van een ander. Een drukkende hoofdpijn kwam op, of het door de magie of de hitte kwam zou hij niet kunnen zeggen. In de verte zag hij wederom een geestesspel van de woestijn. Hij zag een groene weide met een enkele hut daarop. Een klein stroompje en een bloeiende kersenboom. De lila bloesempjes die soms met de wind meegenomen werden leken net echt. Hij besloot het uit zijn gedachten te zetten, als je toe gaat geven aan dergelijke ideeën dan ben je er echt geweest. Hij bleef doorlopen, richting de hut en het ijskoude water dat er langs stroomde. Maar Ryuujun zag er niets van, met zijn blik op het zand probeerde hij er niet door afgeleid te worden.

Opeens voelde Ryuujin wat tegen zijn gezicht. Het bleef plakken aan zijn zweet. Toen hij het van zijn voorhoofd haalde zag hij in de palm van zijn hand een lilakleurig bloesemblaadje liggen. Hij bleef er even met verbazing naar staren. Dit was toch wel de meest realistische hallucinatie die hij ooit gehad had. En hij had in Japtardië nog wel aan de drakenpijp gehangen. Hij keek van het zand naar voren en stond op een paar meter afstand van de hut, het stroompje en de bloeiende kersenboom. Zijn hersens wilden niet geloven wat hij zag, dit moest een verschijning zijn. Hij zette nog een paar stappen naar voren, deed zijn ogen een maar seconden dicht en weer open. De hut stond er nog steeds. Evenals de stroom. Hij deed nog een aantal stappen naar voren. Hij stond op het gras, het diepgroene gras dat zo’n verschil vormde met wat hij de dagen daarvoor gewend was. Hij liep naar het water, bukte en stak zijn handen er in. Het voelde als water, bewoog als water… smaakte als water. Smaakte goddelijk. Hij zakte op zijn knieën en zoog met gulzige slokken water uit de stroom. Voldaan viel hij achterover en sloot zijn ogen in het heerlijk comfortabele gras.

Iets in zijn achterhoofd schreeuwde tegen hem, maar het gras lag veel te lekker. Hij besloot op te staan en de hut te verkennen. Binnen was een heerlijk zacht bed te vinden, een kast vol met voorraden en mand vol met alle soorten fruit die hij zich in kon denken. “In kon denken…” dacht hij hardop bij zichzelf. De smaak van de sappige banappel wat hij zijn tanden in zette deed hem dit weer vergeten. Hij deed zichzelf te goed aan de lekkernijen in de hut en ging op het bed liggen. Hij had nog nooit zoiets lekker gevoeld. Hij zette zijn lantaarn op een kastje naast het bed en sloot zijn ogen. Het laatste wat hij zag was zijn vlam, nog maar zo groot als het bovenste vingerkootje van zijn pink. Zijn slaap was droomloos.

Toen hij wakker werd zag hij vanuit zijn ooghoeken iets bewegen. Hij keek in die richting en zag niets. Voldaan en uitgerust strekte hij zich uit en bewoog zich richting de keuken. Daarbij passeerde hij zijn lantaarn. Maar het viel hem niet op deze nog maar de grootte had van een speldenknop. In zijn achterhoofd schreeuwde een stem. Hij voelde zich opeens moe. Hij keek naar het bed en wilde weer gaan slapen. “Was ik net niet al aan het slapen?” hoorde hij zichzelf in de verte vragen. Weer zag hij vanuit zijn ooghoeken iets bewegen, een zwarte schaduw bewoog zich in een oogwenk van de kast tot achter het bed. Hij negeerde het, hij wilde gewoon slapen. Opeens voelde hij zich koud. Hij vroeg zich af hoe dat kon, hij had het nooit koud. Hij was een vuurbezweerder. Zijn vlam hield hem warm. “ZIJN VLAM?!” Hij keek om naar de lantaarn, die omwikkeld in een schaduw. Even twijfelde hij aan zijn ogen, de schaduw leek te bewegen. Hij voelde de vlam heel ver weg maar zocht er contact mee. In het contact met zijn vlam kregen zowel hij als de vlam meer energie. De vlam welde op terwijl Ryuujins moeheid verdween. De schaduw danste en kronkelde en trok weg van de vlam. Ryuujun rende op de lantaarn af en pakte hem op. Hij werd één met de vlam en voerde deze op totdat de complete hut gevangen was in de vuurzee. De schaduw schreeuwde het uit en Ryuujin had nog nooit een demonischer klinkend geluid gehoord. De schreeuw leek uren te duren en seconden te duren en voor hij het wist maakte de schreeuw plaats voor de dreunende magie van de woestenij. De koelte van de hut maakte plaats voor exteme hitte en Ryuujin wist dat het allemaal een mirage was geweest. Waar hij tegen had gevochten in die hut wist hij niet, maar hij wist dat hij heel dichtbij het einde was geweest.

Hij vervolgende zijn tocht en vond waar hij naar op zoek was. Segapolis. De hoofdstad van het vroege volk. De precursors. Het centrum van de woestenij, de oorzaak van de onbalans. Dural had hem van de stad verteld. De mooiste en grootste stad die ooit had bestaan, maar ze waren te ver gegaan. De goden hadden hen gestraft en hun land verandert in de grootste woestenij die Igianië ooit had gezien. Er zou nooit meer een graszaadje ontspruiten of een druppel water vallen. Het land was dood en de mensen ook. Ryuujin volgde Durals aanwijzingen en vroeg zich af hoe deze in godsnaam wist hoe de stad er uit zag. “Was Dural hier al eens geweest?” Durals aanwijzingen voerden hem naar het grootste gebouw van de stad, ongeveer in het midden. Ryuujins hoofd draaide van de chaotische magie die hier overal om hem heen danste. Hij wist het, dit was het oog van de storm. Hier zou zijn reis hem leiden. Hier zou hij dood gaan. Hij schrok van deze gedachte, maar wist dat het waar was. Ryuujin zou nooit meer terugkeren van deze plek. Hij had er vrede mee, hij wist wat zijn offer teweeg zou brengen. Hij zette zijn lantaarn neer voor de ingang van het gebouw en stapte met opgeheven hoofd door de enorme poorten van het gebouw. Even gebeurde er niets. Een paar uur gebeurde er niets.

En toen begon het, donkere wolken pakten zich samen boven het gebouw. Een harde donder klonk. Bliksem sloeg ergens in en een zachtjes getik begon. Waar duizenden jaren geen druppel was gevallen begon het te regenen. Na een zomer van 10.000 jaar was eindelijk de herfst begonnen in de Sega vallei. In de lantaarn voor de poort van het enorme gebouw flakkerde de lantaarn van Ryuujin. Het vocht hard om aan te blijven, maar ging uiteindelijk toch voor altijd uit.

To be continued

Dit artikel delen

Over de auteur